Archief van
Tag: voorjaar

Vogelen

Vogelen

Voorzichtig landt het koolmeesje op het stokje van het houten vogelhuisje, dat op de garage is gemonteerd. Even later landt nummer twee, nadat nummer één weer is vertrokken. De snavels van het liefdespaar zijn afgeladen met minuscule houtjes en ander bouwmateriaal dat voldoet aan mogelijke nestvoorwaarden. Het is voorjaar en dat betekent dat mijn tuin binnenkort wordt overspoeld door een geboortegolf, die tot half juni duurt.
Vorig jaar liet de lente een beetje op zich wachten, nadat het in maart zo heerlijk zonnig was geweest. Halverwege de maand mei konden we eindelijk een beetje buiten zitten. Er ontstonden zelfs momenten, waarop barbecueën weer een mogelijkheid werd. Alleen moest het terras nog een beetje schoon worden gemaakt.
Toen ik de buitenkast opende, waarin mijn buitenpoetslappen zich bevinden, vloog er tot mijn schrik een minuscuul donkerbruin vogeltje langs mijn hoofd. Richting veilige haven van de bruidssluier, die rijkelijk gedrapeerd om de schutting groeit. Verbaasd keek ik richting het groen. Gevlogen.
Wat dagen later stond manlief voor dezelfde kast en opnieuw vloog er een klein donkerbruin vogeltje verschrikt weg. Aangezien manlief wat langer is dan ik, kon hij de reden van de wanhoopsvlucht van het beestje sneller ontdekken dan ik.
Een nestje winterkoninkjes had zich toegang verschaft tot een van de rieten mandjes, die deel uit maken van de buitenkast. Best bijzonder want eerder waren de koolmeesjes al uitgevlogen. De stilte die zij rond hun nestkastjes hadden achterlaten was oorverdovend geweest.
Het werd opnieuw een herrie van belang. Vader en moeder winterkonink waren druk met de aanvoer van vers eten. Wanneer er wat tijd overheen ging was het commentaar van de vogelbaby’s niet van de lucht. Buiten zitten was mogelijk mits we ons niet te veel bewogen. Van buiten barbecueën of eten was geen sprake meer want met teveel mensbewegingen stopten de ouders met voeren.
De barbecue werd naar een ander plekje verplaatst waarbij we de boel vervolgens binnen nuttigden. Het gaf wat extra werk maar soms vraagt een gastverblijf wat meer hospitality.
Ergens rond het eerste weekend van juni hoorden we een zachte plof. Niet veel later een tweede plof. Twee vogelbaby’s hadden blijkbaar besloten het nest voortijdig te verlaten. Om de rust te bewaren besloot ons mensengezin om voorzichtig naar binnen te vluchten en de verdere gang van zaken achter glas te volgen.
Om de beurt gleden de andere vogelbaby’s het nest uit, om zich vervolgens na een intensieve wandeling bij de plantenbak te verzamelen waar moeder vogel klaarstond voor –wat wij dachten- de eerste vliegles. Een voor een fladderden de baby’s omhoog in de plantenbak, om vervolgens in de bruidsluier omhoog te klimmen. Even later was het groepje, inclusief de vader die zich op het dak van de schuur had verschanst ter bewaking van het spul, verdwenen.
Het werd ons duidelijk dat winterkoninkjes niet aan oefenen doen. Eenmaal uit het nest zijn ze niet meer teruggekeerd. Het barbecueën, verder in het seizoen, werd niet meer hetzelfde.
Sinds ik de koolmeesjew heb gespot hoop ik op een terugkeer van het gezin Winterkonink, ergens in april of mei.

Voorjaarssprookje

Voorjaarssprookje

In de vroege ochtendschemering ligt het gras, verstopt onder een laag verse nachtkristallen. De groep vroege merels en spreeuwen hebben zojuist hun ochtendvergadering beëindigd en fladderen elk hun eigen weg. Aarzelend steekt de krokus haar hoofd omhoog, door het gat naar buiten. Voorzichtig strekt ze haar nek die nog wat stijf aanvoelt.
Het is blauw buiten. Dat betekent, dat later vandaag de mooie koperen bal boven haar komt hangen. Met de warmte die daaruit wordt gestraald zijn die stramme spieren zo voorbij, weet ze uit ervaring.
Net nadat de zon de appelboom is gepasseerd zodat ze de eerste ochtendstralen op haar gezicht zou moeten voelen, gebeurt het. Hoe het komt weet de krokus ook niet, maar het licht en de warmte zijn verdwenen. Verbaasd kijkt ze om zich heen en tast met haar blaadjes voorzichtig buiten het veilige afdak van het jonge gebladerte boven haar. Ze voelt geen druppels.
Plotseling ziet ze de oorzaak van de totale zonsverduistering. Op hoge sprieten heeft Vrouwe Narcis zich volledig in het gezichtsveld van de krokus geposteerd. “Mijn plek, kleintje pils,” zegt ze hatelijk. “Dacht je dit jaar echt te kunnen wedijveren met met mij?”
Verdrietig kijkt de krokus naar de grond.
Dat is waar ook, ze is het vergeten. Elk voorjaar gebeurt het weer. Net als krokus haar hoofd buiten durft te laten zien komt die gemene Narcissentrut met haar pestvolkje. Gelukkig heeft ze deze keer de valse rode tulpenenclave thuis gelaten. Met zijn allen hebben ze krokus vorig jaar verjaagd uit haar hoekje in de tuin. Een lang voorjaar werd het, zonder zon. Ze kon er niet van groeien. Voortijdig stierf ze een verdrietige dood.
“Misschien zou u wat opzij kunnen buigen?” vraagt Krokus beleefd. “Dan ziet iedereen hier in de tuin hoe lenig u bent. Misschien kunnen we samen genieten van het zonlicht en de warmte?”
“Ik peins er niet over,” zegt vrouwe Narcis met een uitgestreken gezicht. “Ik buig voor niemand en zeker niet voor zo’n miezerig paarsig flutbolletje als jij”.
Vastbesloten zich niet te laten kennen, schuifelt juffrouw Krokus voorzichtig iets naar rechts. Wanneer ze haar jonge lenige lijfje schuin voorover buigt, vangt haar paarse kruintje nog nèt wat zonnestralen. Natuurlijk heeft die hooghartige Narcissendame het direct in de gaten want ze schuift haar derrière vinnig dezelfde kant op als die van Krokus. Het wordt een groene veldslag want om de beurt buigen ze beiden naar links en weer terug naar rechts, vastbesloten elkaar geen zonnestraal meer te gunnen.
Na een kwartiertje – de rug en nek van Krokus zijn intussen lekker soepel gegymnastiekt- hoort ze een jammerlijke kreet, gevolgd door een knappend geluid. “Au au, help! Wat doet het zééheehéér,” klinkt het klaaglijk. Nieuwsgierig kijkt Krokus langzaam in de richting van waaruit het gejammer komt. Tot haar verbazing komt het van beneden. Onder haar ligt het gezicht van Narcis. Op de grond. Tranen biggelen over haar ooit zo statige gezicht, dat nu meer weg heeft van een verweekte postzegel. Haar normaal gesproken oranje blosje is verdwenen en haar handelsmerk, de slanke benen, liggen op onnatuurlijke wijze onder haar gevouwen.
“Daar ben ik mooi klaar mee,” huilt Narcis zachtjes. Na een lange uithaal en een snik schraapt ze haar keel en zegt: “Het ergste vind ik nog dat ik je al die voorjaren bij de zon heb weggepest. Nooit heb ik gezien hoe mooi je eigenlijk bent, lieve Krokus. Ik dacht dat je slechts een klein afstotelijk paars bolletje was.”
Krokus kan geen antwoord geven want haar keel zit vol brokstukken van hadden, kunnen en geweest. Liefdevol drapeert ze het hoofd van Narcis op een klein bergje onder de appelboom, waar vanachter de zon ’s avonds nog wel eens wil schitteren. Terwijl ze de beenbladeren van Narcis voorzichtig schikt, valt het oog van Krokus op een jonge scheut, die zich tussen de openliggende bollengroep van de overgebleven narcissenguerrilla’s heeft genesteld.