Archief van
Tag: vijftig

Soep

Soep

Bij mijn moeder stond eeuwig een pannetje op het vuur. Meestal met soep, soms was het een allegaartje van bij elkaar geraapte kliekjes, waarvan soep werd gemaakt. Want soep kon volgens mijn Brabants gewortelde moeder altijd.

Ik weet nog, dat mijn moeder na het overlijden van mijn vader, heel lang, misschien wel enkele jaren, heeft geleefd op soep. “Ik hoef het niet te kauwen en het glijdt zo makkelijk naar binnen,” zei mijn moeder wanneer iemand vroeg of ze ook nog gewoon at. Voor mij heeft ze altijd gekookt maar ik weet dat ze zelf nauwelijks een hap wegkreeg. En met soep kreeg ze in elk geval nog wat vitamines naar binnen.

Mijn moeder had haar liefde voor soep van haar moeder meegekregen, de schippersvrouw. Op het lange binnenvaartschip, met de keuken in het ruim, stond eeuwig een pannetje met een of ander iets op het gietijzeren, kolengestookte fornuis te pruttelen. Aangezien ze meestal kolen op het schip vervoerden, was er voldoende brandstof voor eigen gebruik. En mijn oma had of kreeg eeuwig eters over de vloer, of dat nou op het schip was, of tijdens een tussenstop in een haven onderweg.

Later, toen oma in het bejaardenhuis ging wonen, stond er eeuwig een pannetje op de elektrische tweepitter. Meestal was het een culinair allegaartje van de maaltijd van de dag ervoor. Niet dat oma hoefde te koken; het eten werd gewoon door de verzorging gebracht. Maar oma had meestal geen trek (ouderdom) en dus maakte ze er meestal de dag erop iets anders van. Naar eigen smaak. Ik gaf haar gelijk, ze was immers eeuwig gewend zelf te koken. In haar optiek wist ze niet beter dan de buitenwereld immer trek had. We lieten het zo, wanneer we op bezoek kwamen aten we dankbaar het speciaal voor ons gekookte prutje op.

Blijkbaar wil Moeder natuur mij iets leren, of overbrengen. Langzaamaan begeef ik me richting de vijftig. Daar horen bepaalde standaard hormonale toestanden bij (eeuwig kapotte interne thermostaat, kort, héél kort lontje) en blijkbaar groei ik dus ook richting mijn moeder. Net als zij deed, voel ik me regelmatig niet thuis in deze wereld en kruip ik fijn naar binnen, laat de rolluiken neer. Meestal prevel ik een zelfgemaakt gebedje tegen de wereld, dat ik uitplug en even niet meer meedoe. Heerlijk vind ik dat. Ongegeneerd kan ik uren binnen in mezelf verblijven, ordinair cocoonen zonder iemand anders of een stukje buitenwereld binnendringt.

Daarnaast betrap ik mezelf erop, dat ik, op de dagen dat ik vrij ben, er meestal….precies. Een pannetje op het vuur staat, op mijn hypermoderne vijfpitter. Ooit was het nog wel eens stoofvlees, jong geleerd van de kampioene stoofvlees braden, mijn grootmoeder van vaderszijde. Tegenwoordig pruttelt er soep. Van restjes en van prutjes. Het is iets met herhalen van patronen. Omdat het zo makkelijk, gedachteloos wegglijdt en ik net als mijn moeder ook niet altijd zin heb om te kauwen. Soep is warm voor als ik het toch een enkele keer koud heb.

Tot slot is soep eenvoudig. Je kunt er van alles en nog wat ingooien. Het is zó klaar. En sinds mijn prévijftigste ben ik vooral van dat laatste een enorme fan geworden.