Tagarchief: verbouwing

15. Verzet

Terwijl er een achtergebleven gebied in mijn hersenen roept dat ik die verbouwing niet wil, groeit het verzet én de berg onopgeloste problemen ergens anders in mijn hoofd. De potten met kamerplanten en mijn voorraad kaarsenhouders hangen op mijn nek, net als de schilderijen die nog van de muur moeten en een veilige plaats moeten krijgen. Om over het servies en de pannen nog maar niet te spreken.

In de schuur ontdek ik een verzameling loslopende verhuisdozen. Zuchtend besluit ik dat ik er niet aan ontkom. Klein beginnen dan maar. Voorzichtig haal ik alle schilderijen en fotolijstjes van de wanden, om ze voorzichtig op de tafel te plaatsen. Dat gaat niet echt gemakkelijk, aangezien sommige lijsten in de buurt van de keuken nooit van de wand zijn geweest en aardig plakken. Ik vervloek mijn open keuken.

Even later vis ik de twee koetslantaarns van oma’s buffetkast, die een liefdevolle eerste plek in de kartonnen doos krijgen. Oma’s zilveren theelepels passen precies in de lantaarns, zie ik verheugd. Wie weet, krijg ik eindelijk gevoel voor inpakken. Dat gebeurt ook, want als ik mijn verzameling vreemdgevormde kaarsenhouders om en om op zijn kop in de doos plaats merk ik, dat ook hierin ruimte te besparen is.

Het inpakken is direct ook een mooi excuus om de snuisterijen, die zich in de loop der jaren bovenop de kast hebben verzameld, eens kritisch te bekijken. De houten eierdopjes, beschilderd met een intussen ondefinieerbaar geworden kleur plakaatverf, wil ik daar mijn gekookte eieren nog wel in opdienen? Nee dus. De bontgekleurde espressokopjes uit Italie verhuizen ook naar de kliko. Ik heb niet eens een espressoapparaat. Sterker nog: ik lust niet eens espresso. Hopsakee, rinkelend verdwijnen de kopjes en de dopjes naar de onderste helft van de kliko.

Een pastapot. Heb ik dat bedacht? Ik laat mijn voorraad ongebruikte pastasoorten namelijk gewoon in de zakken zitten, met een afsluitclipje van de zweedse gehaktballentent. Heel soms verkopen ze daar namelijk heel handige zaken. Een tapastoren met opdienschaaltjes verdwijnt ook rammelend in de kliko. Weg ermee, ik maak nooit tapas, ik zou niet weten hoe het moet en bovendien heb ik er de zin en de tijd niet voor. De stapel huisraad in de kliko groeit, net als mijn grijns.

De komende tijd wil ik af en toe wel een kaarsje kunnen branden. Voor als ik het niet meer zie zitten. Wacht eens even, de laatste kerst kwam lief thuis met een mooie houten doos, met een deksel waar je een foto tussen kunt klemmen. Voor drie flessen wijn, maar iets anders past er natuurlijk ook in. Na gebruik van wat krachttermen en mijn ogen heb ik gevonden wat ik zocht. Voorzichtig stapel ik de wierookstokjes, samen met het ying-yang houdertje en wat waxinelichtjes en natuurlijk de lucifers, in het houten kistje. Vervolgens verhuis ik het kistje naar de buitenkast, op het overdekte terras. Ik ben klaar voor ongezellige avonden.

Twee uur later parkeer ik drie dozen vol spullen boven op zolder, samen met drieëntwintig grote en kleine lijsten met foto’s en schilderijen, die ik voorzichtig op de zoldervloer parkeer. Het moet wel heel gek lopen, wil deze zaak sneuvelen. Tevreden klauter ik naar beneden en constateer dat niet alleen de muren lichter zijn geworden.

(Uit: Over de vloer, april 2011)
Meer lezen over deze verbouwing? Klik op categorie “Over de vloer, een betonsprookje” 

Over de vloer 14: Opschudden

SAMSUNG

In 2009 ontdekten we dat de fundering van ons huis kapotging. Na veel papieren geneuzel en financieel gepuzzel hebben we onze woning in de periode 2010-2011 ingrijpend verbouwd. In 2016, vijf jaar na de titanenstrijd der betonprinsen en prinsessen, besloot ik de verhalen opnieuw uit te brengen. Over de vloer vertelt het verhaal van verbouwingsproblemen en over de personages die je over de vloer krijgt wanneer je gaat verbouwen.
Schrijven in de verleden tijd vind ik lastig; enige verwarring in de chronologie is dus geheel aan mij te wijten.

~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~

April 2011
Tot april 2011 was ik voorzichtig enthousiast over de bouwplannen. Wanneer iemand vroeg: “En? Wanneer gaan jullie beginnen?” antwoordde ik dapper “Eind mei, half juni.” Langzaam aan raakte ik gewend aan het idee van een tijdje kamperen in de huiskamer en voorzichtig werd ik zelfs een heel klein beetje blij. Er heeft zich echter een kleine aardverschuiving plaatsgevonden; de eerste helft van de maand mei is van de kalender af gevallen want het betonbal werd reeds half mei geopend. Goed bedoeld want dan is het funderingswerk klaar op 1 juli, net voordat het BTW-gebeuren weer omhoog zou worden geschroefd.

Voor de aannemer kwam, moesten de huiskamers gestript. Geen grapje uit de bananenbar. De leefruimtes moesten tot op het bot leeg worden gesloopt. Het zeil moest eruit, de ondervloer moest ontschroefd en ontmanteld, de keukens moesten gedemonteerd, de plafonds moesten eruit en de muren moesten worden gesloopt. De isolatie zouden we netjes opvouwen voor hergebruik (strijken hoefde niet), net als de houten balken, die konden worden hergebruikt voor de skeletbouw.

Wat zou resteren waren kale woonskeletten, ontdaan van leven, plezier en gezelligheid en daar moesten we het de komende tijd dan mee doen. Hoe ik dat wist? Doordat ik niet meer in het huis van de buren kon kijken zonder in tranen uit te barsten. Zij waren reeds begonnen en hun ooit prachtige witte paleis was tot een kale balzaal geworden, waarin zelfs Assepoester niet meer dood gevonden wilde worden.

Waar moesten onze spullen blijven? Mijn servies, het petroleumstel? In dozen. Dat was een goede gedachte en een goed begin. Geen paniek meer, ter plekke schreef ik een boodschappenlijstje in bouwvakkerstaal. Ik ging dozen verzamelen. En oude kranten.

De eettafel kon uit elkaar, dus dat was makkelijk, besloot ik. Tot mijn vreugde gold dat ook voor de stoelen. Die konden verticaal opgeslagen worden in de garage. De keuken verhuisde naar de schuur. Inclusief het werkblad, de oven en de afzuigkap. Ik besloot om bij de schuur te beginnen met opruimen en inrichten, als tijdelijk woonverblijf.

Op mijn boodschappenlijstje verschenen praktische plannen, totdat mijn pen halverwege het papier bleef steken, evenals de brok in mijn keel. Plots nam de paniek het over, wilde ik het hele plan niet meer. “Het moet”, zeurde mijn verstand. Toen ik de oude verbouwingsfoto’s uit 1992 erbij pakte, daalde mijn humeur helemaal tot ver beneden het Nieuw Amsterdamsch Peil. Opnieuw moest ik afscheid nemen van een prachtig huis, liefdevol herbouwd door lief en zijn vader.

Mijn innerlijke angsthaas schreeuwde om een verstopplek, die me vanaf half mei tot zo’n beetje de kerst kon herbergen. Een veilige grot, afgesloten van God en iedereen en in het bijzonder voor aannemers met heistellinkjes en betonmolentjes.

Mijn stoere ego sprak over de vast prachtige nieuwe warme vloer, de houtkachel, de keuken die nu voor het raam zal worden geplaatst, inclusief fornuis waar ik nu eens drie pizza’s in zou kunnen gooien in plaats van twee. Het gaf niks, ik wilde het niet meer. Pure angst maakte zich van mij meester, benam me de eetlust. Ik wilde nog meer een ding. Vluchten.
Richting China. Samen met dat verrotte huis.

– wordt vervolgd –