Archief van
Tag: vader

Puzzeltocht

Puzzeltocht

In 1987 overleed mijn vader. Een week voor ik zeventien werd. Voor de lezer die de dramatiek nog even wil teruglezen, staan hier de stukken: Een nacht in maart (1) plus Een nacht in maart (2)
Helaas heb ik niet de kans gekregen om als (semi) volwassene met hem om te gaan. Geen mogelijkheden waren er, om wereldse of levensvraagstukken met hem door te nemen. Zijn kijk op de wereld kon ik niet vergelijken met die van mij. Op je zestiende lukt dat niet, ben je daar nog niet klaar voor, vind je de mening van je ouders op zijn minst een beetje raar. Hij kon me niet adviseren bij de kleuren verf in mijn huis, ooit de zijne.
Nu ik de leeftijd van mijn vader heb bereikt waarop hij vader werd en ging trouwen, denk ik nog meer terug aan hem. Regelmatig maak ik een geestelijke puzzeltocht. Dan vraag ik me af, hoe hij het vaderschap beleefde. Of hij zich, net als ik nu, zorgen maakte over zijn opgroeiend kind. Destijds veranderde mijn komst zijn leven op slag. Tot zijn eenenveertigste was zijn leven namelijk een groot vrijgezellenfeest geweest.
Op zaterdagavond biljarten in het Wapen van Landsmeer. Samen met de Neus. Een bijnaam voor ene Gerrit, ook wel rooie genoemd. Mijn vader schijnt zelf ook een bijnaam gehad te hebben, helaas ken ik die niet. Op zondagmiddag ging vader steevast met vrienden naar Robinson. Een beetje ouwehoeren, nog een biljartje leggen. Daarna een tosti eten en een pilsje toe, bij café Ottenhof, om de hoek. Er hingen stukken van Anton Heijboer aan de wand, uit een periode dat hij zijn drankrekening nog niet kon betalen.
Vanmorgen stopte er een setje van vier fietsers voor de deur. Op hun stuur een wit vel met route en wat vragen, tenminste dat denk ik want ze waren driftig gebarend aan het overleggen met elkaar. Eerst dacht ik dat ze de weg kwijtwaren, maar dat bleek niet het geval, toen er nog een setje fietsers voor de deur stopte en zich bij het eerste setje voegde. Nieuwsgierig opende ik het slaapkamerraam aan de straatzijde, waar ik net de was had opgehangen.
“Nee joh, dit is de winkel van Wolff. De bloemenwinkel. Ze hebben het toch over die dakkapelletjes met die punt? Hiernaast zijn het platte kapelletjes.”
“En de sigarenman dan? Die zat hier toch ook? Plus de drogisterij en een drukkerij? Er zat zelfs een groenteboer. En een viswinkel. Heb je nu allemaal niet meer. Zit allemaal in winkelcentra.”
“Wat je zegt klopt, alleen die viswinkel zat dáár en de groenteboer op de Stoombootweg.”
“Geloof me nou, dit is de oude bloemenwinkel van Wolff.”
Glimlachend knik ik.
“Zie je nou? Die dame boven staat te knikken,” klinkt het van beneden.
“Ik ben de kleindochter van de bloemenman,” zeg ik, wat beschaamd over mijn meeluisteren. “Ik ben hier altijd blijven wonen.”
“Wat ontzettend leuk,” schettert een van de vrouwen. “Dan ben jij de dochter van Willem, zegt een andere vrouw.” Ik knik. “Die kwam altijd in de Robinson,” hoor ik een man uit het groepje zeggen. Dat klopt, de verhalen ken ik, de inhoud niet.
“Krijg nou wat,” zegt een van de mannen. “Het is gewoon een vraag.” Hij schraapt zijn keel. “Hoe luidde de bijnaam van de jonge Wolff?”
Een nieuwe discussie barst los in het groepje. Ik hap naar adem. Mijn vaders bijnaam als vraag in een dorpse puzzeltocht. Ik grinnik en spits mijn oren, in de hoop iets op vangen. Het blijft echter stil in het groepje beneden mij. Een vrouw, ik schat haar achter in de vijftig, kijkt opnieuw omhoog. “Kunt u ons verlossen met het antwoord?”
“Helaas niet,” zeg ik. “Mijn vader kwam inderdaad in Robinson, de Drie Zwanen en het Wapen van Landsmeer. Zijn bijnaam zal vast iets met een feestje of een drankje zijn geweest maar ik weet het niet,” ratel ik verder. “Maar mocht u nou vandaag aan de bijnaam geraken, gooit u dan alstublieft een briefje in mijn bus. Dan is mijn puzzeltocht naar zijn bijnaam ook opgelost.”
Ik word bedankt voor de medewerking, de complimenten voor het huis vliegen me om de oren en straatnaam en nummer worden genoteerd op het puzzelvelletje. Het zal mij benieuwen. Diep in mijn hart moet ik vreselijk lachen en ben best een beetje trots op die vader van mij. Het feestvarken uit het dorp. Met zevenentwintig jaar na zijn overlijden een puzzelvraag naar zijn bijnaam.
“Je was me er wel eentje hoor, vader,” zeg ik grinnikend.
Ik lach naar de blauwe lucht, sluit het raam.

Galanthus, con amor

Galanthus, con amor

Altijd wanneer ik aan mijn vader denk, zie ik eerst zijn ogen. Indringend blauw, zoals de hemel soms oogt op een zonnige lenteochtend in maart. Helder, niet ijzig. Precies die kleur blauw waarmee de lucht lijkt uit te schreeuwen, dat het voorjaar is.
Oog voor de wereld had mijn vader niet maar planten en bomen kon hij omhoog kijken. Hij was hovenier en oefende dit beroep vooral thuis met hart en ziel uit. Bladerloze boomstammen kweekte hij op tot volle oerbossen, onbegrepen plantsoorten welke tot “herba non grata” waren verklaard, verleende hij politiek asiel. Zo konden zij rekenen op zijn onvoorwaardelijke steun, liefde en toewijding. Het was opmerkelijk, omdat hij deze begrippen niet in zijn gezinsbeleving had meegekregen, mijn oma, zijn moeder, had ze doodeenvoudig niet in haar woordenboek gehad.
Waar er op het werk sprake was van gestandaardiseerd tuinieren, was dat thuis totaal anders. Onze tuin had een vaste indeling, veranderingen hierin waren niet toegestaan. Groepen van verschillende soort en kleur werden niet gemengd want dan was de tuin te klein. In het gras bivakkeerde ieder voorjaar een leger sneeuwklokjes. Zij waren volgens duidelijk omlijnde bataljons ingekwartierd waaraan niet werd getornd. Verplaatsing van een sneeuwklokje stond gelijk aan een vroege dood, één enkele haal van de zeis was genoeg.
Langs het tuinpad van mijn vader, dat zich kronkelend vanaf de schuur langs verschillende kleurige borders tot aan de sloot uitstrekte, woonden de blauwe druifjes. Gezusterlijk stonden zij ieder voorjaar weer naast elkaar, gezellig bibberend in de soms nog koude lentewind. Aan de oever van de sloot lag de beruchte gele tulpenenclave en aan de voorkant van de schuur, naast de hyacinten, huisden de krokussen; paars bij paars, geel bij geel.
Verdekt opgesteld achter de seringenboom die ’s zomers heerlijk geurde, stond een houten kas die betere tijden had gekend. Erin hing de geur van verse aarde. Dat kon ook niet anders, met mijn vader in de buurt kreeg aarde simpelweg geen tijd om uit te drogen. Zomers kon ik er gemakkelijk illegaal druiven plukken, de begroeiing diende als beschutting en er waren druiven in overvloed.
Zevenentwintig jaar geleden, in een maartse nacht nét voor de lente, stierf mijn vader aan een hartstilstand nadat hij de eerste aardappelen had gepoot. Met zijn overlijden verloor hij ook de zeggenschap over de verschillende bevolkingsgroepen in de tuin. Al na enkele dagen ontstond er een stil protest onder de beplanting. Verschillende bomen verloren spontaan het loof en de bollen begonnen zich vreemd te gedragen. Van een devoot en zwijgend volk veranderden zij in wraakzuchtige duiveltjes. Overal kwamen ze tevoorschijn, zelfs tot in augustus van dat jaar.
Anders lag dat voor de aardappelen oogst. Die mislukte en de druiven waren zuur. De theerozen, ooit oma’s trots in vurig rood, hingen zielig oud roze te zijn. In het najaar van 1987 viel er geen appel van de boom; de vruchten waren simpelweg verschrompeld. Onze tuin der lusten werd een tuin van zuchten. Een decennium lang verklaarde het groenvolk zich tot autonome dictatuur, met uitzondering van de sneeuwklokjes.
Mijn vriendje en ik besloten om te trouwen. Mijn huis werd ons huis, na een verbouwing van bijna honderddertig weken. In de renovatieperiode werd de tuin meerdere malen door de buren tot regionaal rampgebied verklaard. Dat was ook zo, maar zelden heb ik zulk mooi onkruid gezien als na de zomer, waarin we onze oude dakpannen afstoften voor hergebruik. De tuin was geworden tot een groot kleuren- en geurenfeest ook al was het gemeengoed, aangezien onze heemtuin zich een weg door de buurt was gegroeid.
Van een vaste tuinindeling was post-renovatief geen sprake meer. Tot mijn spijt heb ik niets van vaders groene genen geërfd. Struiken komen bij mij altijd op de verkeerde plek terecht doordat ik niet oplet, als ik ze in de grond zet. Ik lees doodeenvoudig het kaartje niet als ik een plant koop. De blauwe ogen van mijn vader heb ik ook al niet geërfd, behalve dan de zes gemeenschappelijke dioptrieën, die ik koester.
Toch heb ik wel degelijk íets van mijn vader geërfd en het is heel bijzonder. Mijn vaders witte vriendinnen, de sneeuwklokjes. Voor de groene dictatuur hebben ze nooit gebogen. In sommige lentes was hun terugkeer lastig, doordat zij zich aan het gras, dat telkens op verschillende plaatsen lag, moesten aanpassen. De trouwe witte sneeuwklokjes van papa verhuisden altijd dapper mee, verlieten hem nooit.
En nu nog steeds, als traditie, melden zij zich ieder voorjaar altijd weer trouw op de plek waar het gras groeit. Nog altijd bivakkeren zij in keurige groepjes. Vaste tijd, vaste prik, altijd zo rond de 4e maart.
Groene vingers, tot óver het graf?
Dit verhaal verscheen eerder op Trouwschrijvers en op ColumnX.nl Vanwege de tijd van het jaar en vanwege het feit, dat het binnenkort precies een jaar geleden is dat mijn moeder overleed, vond ik het passend dit verhaal opnieuw te plaatsen.