Pomodoro fortunato

Mijn zoon stapt binnen, gewapend met een grote plastic tas. Mijn hart juicht want ik weet waar mijn kind vandaan komt en dientengevolge weet ik wat er in de zak zit. Wanneer ik mijn neus boven de tas hang, ruik ik de geur van zomerse beloften. Op mijn netvlies verschijnt een dia projectie van reuzen meloenen, olijfbomen en van surfzeilen op witte koppen.

In een vorig leven vertrokken wij, dat wil zeggen mijn vader, mijn moeder en ik, elk jaar voor een dag of tien naar Italië. Twee dagen heen reizen, met een overnachting in Zuid Duitsland, onder donzen dekbedden waar je in verdween. Ontbijten met kaiserbrötchen met roomboter plus zoete kersenjam. De volgende dag dikke Oostenrijkse worsten eten aan de snelweg langs de Brennerpas, net voor de grenstunnels, met zure saus. In de namiddag, na wat files en toeterpartijen op de autostrada, verscheen dan eindelijk de schuine rots van Riva in beeld van het Gardameer, met talloze witte surfzeiltjes op het glinsterende lago. Dan was het nog ruim drie kwartier toeren door verschillende tunnels om uiteindelijk Pai di Sotto te bereiken. Eindbestemming: Albergo Torrione, gerund door de familie Vangelista, waarvan de papa, Eugenio, een niet onverdienstelijke kunstschilder.

Het albergo hing vol kunst. Moeder Maria en dochter Marita runden het hotel en zoon GianLuca had het voornamelijk druk met het zeilen, met zijn surfplank en met zijn vele vriendinnetjes, die ’s avonds onder zijn slaapkamerraam stonden te roepen. Als klein duimpje van nog geen twaalf jaar valt je zulks op. Elk lid van ons gezin had zo zijn of eigen favoriete bezigheden op of aan het meer. Vader kon er zielsgelukkig pescatore spelen, mijn moeder las vele boeken weg onder de schaduw van een olijfboom. Ik was voornamelijk in de golven te vinden, gewapend met mijn zwemvliezen en mijn duikbril. Op foto’s uit die tijd zie je alleen mijn voeten. Ik sprak Duits met zwaar Nederlands accent en tussendoor gooide ik er wat Italiaanse woorden uit, wat gemakkelijk was wanneer ik met mijn ouders ergens op een terrasje zat.

Er ging geen maaltijd voorbij zonder dat er vleestomaten op tafel kwamen. Ik gruwelde ervan. Zo groot en zo misvormd ze eruit zagen. Ik vond ze eigenaardig ruiken en ze smaakten weeïg. Mijn moeder at zich er nagenoeg ongans aan. Ze overgoot de in plakjes gesneden tomaat met –natuurlijk- bergen olijfolie, peper en zout en at ze met brood, bij (in) de soep, met of zonder pasta, het maakte niet uit. Ik begreep er niks van maar het maakte mij niet uit zolang ik niet gedwongen werd die vlezige dingen te eten.

Inmiddels is mijn leeftijd gevorderd tot die van mijn moeder destijds in Italië en ben ik de smaak van verse tomaat gaan waarderen. Niet dat ik elke dag belegde broodjes met tomaat eet maar de smaak van verse tomaten in een pastagerecht gaat vér boven die van jachtig opengerukte blikjes tomatenpuree.

Nog steeds eet ik geen vleestomaten. Tenminste, niet “los”. Voorzichtig pak ik het Italiaanse vleestomatenpakketje uit de zak. Ze gaan vergezeld van een heerlijk stuk verse kaas, dat ik direct veilig stel in de koelkast. Ik snijd de tomaten in dunne plakken en verdeel ze los over twee ovenplaten. Ik besprenkel de schatten met olijfolie en bestrooi het geheel met uienringen, knoflookpartjes en verse kruiden uit de tuin. Vervolgens mogen ze een dag of wat rondhangen in mijn oven, op zo’n 60-80 graden. Langzaamaan zullen ze drogen, compleet met de kruiden en andere toevoegingen.

Ik maak er kleine porties van om in te vriezen. Zodat ik in de herfst, wanneer ik depressief door de regen waggel en mijn voeten ijsklompjes zijn geworden, me zal herinneren dat er een zakje Italiaanse zomer in de vriezer ligt waarmee ik niet alleen een basissaus heb voor een zomerse pastaschotel maar die me tevens terugbrengt naar een bijzonder plezierig stukje van mijn jeugd. Inclusief de herinnering aan mijn aan vleestomaten verslaafde moeder.

pai di sotto albergo en toren

vangelista3

Eugenio Vangelista

Afbeeldingen zijn afkomstig van http://paisulgarda.magix.net/vangelista.htm

Advertenties

Equi’libre

Het gebeurde vanmorgen zomaar weer. Even nadat ik een grote zucht des levens had geslaakt, fladderde er een bontgekleurde vlinder om mijn hoofd, om zich even later op de uitbundig bloeiende witte lobelia te nestelen.

Dat klinkt gek in oktober. Toch is het zo; in de bloembak die de schutting overgroent, bevindt zich een meer dan uitbundig bloeiende lobelia. De vlinder, een Atalanta, leek aarzelend op mij te wachten en toen ik me op het bankje voor het schuttingbloemperk liet zakken, kwam ze in beweging.

Opnieuw fladderde ze een rondje om mijn hoofd, landde op het puntje van de bank naast mij en bleef zitten. Een ogenblik later fladderde ze weg, richting de vijver. Toen ik verbaasd opstond om de tuin te verder te inspecteren op dood blad, verstopping en andere herfstige narigheid, was de vlinder in geen velden of wegen te bekennen. Geen wonder want het was behoorlijk fris met een waaierig windje plus een lichte bui.

Om mijn hoofd fladdert een setje koolwitjes. Wanneer ik mijn kinderhand uitstrek, landt een van de twee sierlijk op de rug ervan. Voorzichtig wapper ik met mijn vingers om de vlinder te laten wegvliegen want eigenlijk vind ik het best eng. Elders in de tuin wiegen Atalanta’s op de pioenrozen, die achterin de tuin staan, bedwelmd door de zoete geur. Het koolwitje heeft mijn vinger vastgeklemd met haar pootjes en wil niet vertrekken. Ik gil het uit, weg met haar! Vlieg, in vredesnaam, vlieg! In paniek fladdert het koolwitje zenuwachtig omhoog, stopt acuut met bewegen en valt op de grond. Ik raap haar op, dit was ook niet de bedoeling. Voorzichtig zet ik haar op het schildersverdriet, dat als een roze slingerrand om het garageperk lijkt te zijn geweven.

Ik schrik wakker uit mijn overpeinzing en ik ken het antwoord op de vraag die zich al een tijdje in mijn hoofd heeft geparkeerd, als ongenode gast. Het is niet te bevatten hoe prachtig de tuin is geworden. Er is niks wezenlijks veranderd behalve dat ik er veel meer tijd, liefde en aandacht heb ingestoken dan andere jaren. Anno tweeduizendveertien. Het jaar waarin ik blijkbaar van mijn tuin ging houden. En zij van mij. Wederzijds respect.

Het is evenwicht. Balans. Weegschaal in beweging. Met hier en daar een levend teken van buitenaf. Het is goed.
Heel goed.