Archief van
Tag: uitje

Paard

Paard

“Nog een paar bochtjes en dan kun je het paard zien,” roept mijn collega. Het is een mooie dag in september en we zijn een dagje zeilen.

Wij wil zeggen: alle polikliniekassistentes van het ziekenhuis waar ik werk plus de doktersassistentes van de omliggende huisartspraktijken.

Gezien de grootte van de groep zijn er drie zeilschepen en we boffen; het is prachtig zeilweer. Het is helder,  er staat een straf windje en het zicht is uitstekend.

Gezamenlijk gniffelen we om de dokters voor wie we werken, om hun snibbigheid en andere eigenaardigheden. Voor alles zijn wij als echte doktersassistentes (plus Joop, de enkele meneer in het genootschap) er al na een ochtendje debatteren uit: als wij de praktijk zouden leiden, dan zou het natuurlijk allemaal beter gaan. Er zouden geen wachttijden meer bestaan en zouden uitsluitend  blije patiënten zijn.  Maar anderzijds weten we  ook dat we diep in ons hart geen van allen dokter zouden willen, kùnnen  zijn want dan zijn we immers net als…. precies. Hilariteit alom.

Die paar bochten verder worden wat rondjes over het water. Niet erg, ik heb het naar mijn zin op de intens lange driemaster, waarvan de witte zeilen klapperen in de wind, die over het IJsselmeer wappert. Ik ben wel benieuwd. Een paard aan het water, ik kan me er niet zoveel bij voorstellen. Hoe leeft zo’n beest, op een eiland? Hoe krijgt hij voer? Krijgt hij aandacht van andere mensen of dieren om hem heen? Allemaal prangende levensvragen die door mijn gedachten waaien, terwijl ik mijn ogen bedek met mijn zonnebril vanwege de schittering in het water.

Even later ligt de schuit stil. Langzaam varen we in driemanschap zij aan zij, minderen vaart en houden opnieuw stil, dit keer voor een pittoresk vuurtorentje, wat aan een schiereiland lijkt te zijn vastgemaakt.

Ineens moet ik denken aan kruiend ijs, tientallen jaren  geleden. Er stonden foto’s van in de krant en mijn vader, uit en thuis op het IJsselmeer, zou perse gaan kijken. Zeer tegen de zin van mijn moeder die een natuurlijke afkeer had  tegen alle vormen van rampentoerisme maar mijn vader ging, was niet te houden. Het moet behoorlijk indrukwekkend zijn geweest, dat ijs.

Misschien is het wel net als dat paard waarvan net nog is beloofd dat  ik het ga zien zo meteen. Ik hoop het maar; in de nabije omgeving is geen weiland te bekennen.

Vanuit het voormalig ruim van het schip, tegenwoordig kombuis en voorraadkamer, komen borden naar boven, bestek en grote manden gevuld met alle soorten brood die je kunt verzinnen. Even later volgen schalen met warme gerechten en nog iets later slurpen alle doktersassistenten, gezellig keuvelend, voorzichtig van een kom dampende soep.

“Het blijft bijzonder he, dat paard,” hoor ik naast me. Als door een wesp gestoken schiet ik overeind, echter, geen paard te zien.
“Het is de vuurtoren mop,” hoor ik Joop, de enige meneer in het gezelschap, tegen me zeggen.

Niks paard, vuurtoren it is. Verbijsterd  ga ik zitten, eet mijn soep zonder bijzondere aandacht en neem me voor om de volgende keer voorafgaand aan het bezoeken van een bijzonder evenement of iets dergelijks vooraf eerst de plaats van bestemming te googelen.

Napoleon

Napoleon

Over mijn verjaardagscadeau dit jaar kon ik kort zijn. Een museumkaart. Ik wilde, dat hij geldig werd vanaf mijn echte verjaardag en hij moest van een bijzondere plek afkomstig zijn. Dus op 11 maart, een prachtige voorjaarsdag, fietste ik in vijftig tinten goud, over de grachten van mijn Amsterdam, op weg naar de Hermitage.
Vroeger heette het de Amstelhof en diende het als thuis voor ouderen die de weg een beetje kwijt waren en die niet veel geld te besteden hadden om elders te gaan wonen. Tenminste, zo zei mijn moeder dat. Een oude vriend van haar woonde er ook, dement geworden van de suikerziekte die hij al zijn hele leven behandelde met een combinatie van insuline en alcohol. Op weg naar buiten werden mams en ik achterna gezeten door een groep bejaarden die er ook wel heel graag uit wilden. Godzijdank zat er een codeslot op de deur: vier keer nul. Nadien ben ik nooit meer met mijn moeder meegegaan.
Op 11 maart deed alleen de kerkgang aan de voorzijde van de Hermitage nog wat denken aan het voormalig ouderenhuis. Het zonlicht speelde met de ramen en met mij. Eventjes liep ik er opnieuw met mijn moeder. De museumkaart werd daarmee een uitje voor twee.
Afgelopen week ging bezocht ik de Hermitage opnieuw in verband met de expositie van Alexander, Napoleon en Joséphine. De geschiedenis van de kleine keizer en zijn Josephine is mij bekend, ze is vrij tragisch. Aangezien mijn moeder een hartstochtelijke liefde voor geschiedenis had en daarbij die van Napoleon in het bijzonder, fungeerde mams vroeger als mijn privé geschiedenisdocent. We hebben Napoleon nog uitgebreid geëvalueerd op mijn moeder sterfbed. Napoleon, de grote kleine keizer van een meter vijfenveertig, hoorde in mijn moeders galerij der groten, tussen Henry de achtste, Mozart en Bill Clinton.
Aan de garderobedame vroeg ik of ik mocht fotograferen, anders zou ik mijn telefoon in mijn tas achterlaten. “U mag fotograferen maar uitsluitend zonder flits,” zei het meisje. Met telefoon liep ik richting tentoonstelling om even later weer terug te keren bij het garderobemeisje want kaartje met barcode in mijn tas laten zitten.
Een van de eerste stukken betrof een schilderij van Napoleon, die ten strijde trekt. Met wapperende haren. Nu ken ik vele beeltenissen van Napoleon, waaronder die met Romeins/Griekse krullen, schilderijen met een lauwerkrans op zijn hoofd en natuurlijk verschillende afbeeldingen met de eeuwige dwarse steek van de keizer op zijn hoofd. Maar niet eerder zag ik Napoleon met wapperende manen. Ik besloot het schilderij te fotograferen.
Tweemaal drukte ik op het knopje. Nerveus bekeek ik mijn telefoon want net nieuw en dus was ik niet zeker van mijn handelingen. Had hij nou geflitst of niet? Verder was er niemand in de ruimte te ontdekken met een telefoon in de hand. Op zich vreemd want tegenwoordig kun je geen muziekvoorstelling of iets ander cultureels bezoeken of er staan minstens een voorraad toeristen met een telefoon plus selfiestick voor je neus.
Even later wist ik waarom. “U mag hier niet fotograferen,” hoorde ik, gevolgd door een hand op mijn schouder. Ik bevroor maar antwoordde dapper, dat ik mijn geplande handeling tevoren aan de garderobejuf had gevraagd en dat zij had gezegd dat het mocht, mits geen flits.
“Dat gaan we na,” zei de beveiligingsman. “Uiteraard,” zei ik. “Het kan ook de kassajuffrouw zijn geweest. Ik weet het niet meer zeker.”
“U heeft gelijk mevrouw,” zei de bewaker toen hij terugliep, “verkeerde informatie, wij bieden u onze verontschuldigingen aan.”
“Geeft niks hoor,” zei ik, terwijl ik het zweet van mijn voorhoofd voelde lopen. “Ik berg mijn telefoon op, nee, ik zet hem uit want stel je voor dat ik ineens gebeld wordt, dan sta ik toch weer met die telefoon in mijn hand en ik wil niet worden weggestuurd.”
De meneer lachte vriendelijk. “Kijkt u rustig verder, ik zie aan u dat u geschrokken bent en dat was nou ook weer niet de bedoeling. We moeten alleen streng zijn, want je weet maar nooit.”
Diep onder de indruk liep ik verder. Of ik alles in me heb opgenomen van de tentoonstelling? Geen idee. Een ding weet ik wel: mijn Napoleon met de wapperende manen neemt niemand me meer af.
napoleon