Hoe ik aan mijn naam kom (schrijfveer)

Mijn naamgever is van significante betekenis geweest in het leven van mijn moeder. En nee, het is geen mannennaam dus mijn vader was het niet, al was zijn rol van groot belang in de levensloop van mijn moeder. Net zoals mijn moeders rol van grote betekenis is geweest in mijn vaders leven, al hebben ze dat samen nooit kunnen uitspreken. De jaren zeventig, in combinatie met de strenge opvoeding die ze beiden hebben genoten, stond dat niet toe.

Mijn naamgever kwam tegelijkertijd met mijn moeder ter wereld, al schelen ze een uurtje, maar telt dat ook echt? Mijn naamgever kwam ter wereld in een nonnenziekenhuis, ergens in het diepe zuiden van Nederland. Ze was ongeveer een centimeter of veertig lang en woog iets minder dan 1000 gram, een armpje onderweg gebroken tijdens de geboortestrijd.

Ze nam een grote verrassing voor de mensheid mee, namelijk mijn moeder. Destijds, ergens in de late jaren ’20 van de vorige eeuw, bestonden er geen echo’s of andere onderzoeken die de komst van meerdere kindertjes tegelijk konden voorspellen of laten zien.

Mijn moeder, het tweede kind, een uurtje later geboren dan haar zusje, woog iets meer dan het eerste kind, ongeveer 1250 gram. Mijn naamgever had men reeds terzijde gelegd, in de verwachting dat zij het niet redden zou maar er bestaan wonderen en lieve nonnen.

Van de laatste categorie pakte een doorgewinterd exemplaar mijn moeder en haar zusje, mijn naamgever, samen bij elkaar in een hooikistje, wikkelde de pietepeuterige kindertjes samen in wat kranten en wat hooi en een alternatieve menselijke couveuse was geboren.

Beide meisjes leefden op, gesterkt door elkaars aanwezigheid en langzaam konden zij samen verder groeien. De armbreuk bij het eerste kindje genas. Ik weet -slechts uit de verhalen uit de overlevering-, dat het eerste kind het zonder het tweede kind niet zou hebben overleefd. Maar ik weet uit eigen waarneming, dat het tweede kind het zonder het eerste kind eveneens niet zou hebben gered in dit leven. Zij waren elkaars redding en toegang tot het leven.

Tweeling zijn is meer dan symbiose en gelijkenis alleen. Het is een dubbelzijdige, driedimensionale vorm van leven, verbonden door talloze ragfijne onzichtbare draadjes, waarvan eenlingen het bestaan niet zien en nooit zullen kennen. Wanneer de een afhaakt, verliest de ander tegelijkertijd een stuk van het leven en van zichzelf.

Toen mijn moeder na een langdurig vrijgezellig leven eindelijk moeder werd, was de keuze voor een naam voor het kind eigenlijk gauw bepaald. Het werd Odette, daarmee een blijvende verbintenis leggend tussen het eerste kind, zichzelf en haar eigen kind. Zo voelt het ook echt.

Mijn schrijverijen komen eveneens van mijn naamgever. Een kwestie van overerving van de goede genen. Ondanks gemis aan school was mijn tante een zeer getalenteerd schrijver en dichter. Gewapend met scherpe blik én dito pen, doorspekt van een stevige scheut humor, schreef zij kleine observaties en gedichten. Ik kan dan ook niet anders dan dankbaar zijn. Voor de overerving van haar pen en van haar naam.

Advertenties

Equi’libre

Het gebeurde vanmorgen zomaar weer. Even nadat ik een grote zucht des levens had geslaakt, fladderde er een bontgekleurde vlinder om mijn hoofd, om zich even later op de uitbundig bloeiende witte lobelia te nestelen.

Dat klinkt gek in oktober. Toch is het zo; in de bloembak die de schutting overgroent, bevindt zich een meer dan uitbundig bloeiende lobelia. De vlinder, een Atalanta, leek aarzelend op mij te wachten en toen ik me op het bankje voor het schuttingbloemperk liet zakken, kwam ze in beweging.

Opnieuw fladderde ze een rondje om mijn hoofd, landde op het puntje van de bank naast mij en bleef zitten. Een ogenblik later fladderde ze weg, richting de vijver. Toen ik verbaasd opstond om de tuin te verder te inspecteren op dood blad, verstopping en andere herfstige narigheid, was de vlinder in geen velden of wegen te bekennen. Geen wonder want het was behoorlijk fris met een waaierig windje plus een lichte bui.

Om mijn hoofd fladdert een setje koolwitjes. Wanneer ik mijn kinderhand uitstrek, landt een van de twee sierlijk op de rug ervan. Voorzichtig wapper ik met mijn vingers om de vlinder te laten wegvliegen want eigenlijk vind ik het best eng. Elders in de tuin wiegen Atalanta’s op de pioenrozen, die achterin de tuin staan, bedwelmd door de zoete geur. Het koolwitje heeft mijn vinger vastgeklemd met haar pootjes en wil niet vertrekken. Ik gil het uit, weg met haar! Vlieg, in vredesnaam, vlieg! In paniek fladdert het koolwitje zenuwachtig omhoog, stopt acuut met bewegen en valt op de grond. Ik raap haar op, dit was ook niet de bedoeling. Voorzichtig zet ik haar op het schildersverdriet, dat als een roze slingerrand om het garageperk lijkt te zijn geweven.

Ik schrik wakker uit mijn overpeinzing en ik ken het antwoord op de vraag die zich al een tijdje in mijn hoofd heeft geparkeerd, als ongenode gast. Het is niet te bevatten hoe prachtig de tuin is geworden. Er is niks wezenlijks veranderd behalve dat ik er veel meer tijd, liefde en aandacht heb ingestoken dan andere jaren. Anno tweeduizendveertien. Het jaar waarin ik blijkbaar van mijn tuin ging houden. En zij van mij. Wederzijds respect.

Het is evenwicht. Balans. Weegschaal in beweging. Met hier en daar een levend teken van buitenaf. Het is goed.
Heel goed.