Archief van
Tag: tuin

Weemoedig

Weemoedig

De handgrasmaaier die vlotjes over het gras gaat. Het geluid dat ik als tienjarige intens haat omdat ik dan weer een paar dagen niet op het gras kan turnen (en dat veert nou juist zo lekker), omdat mijn vader het dode gras laat liggen. Voor de groei. Ook maakt de geur van gras me misselijk.

Tegenwoordig, wanneer ik gras ruik, denk ik eveneens aan mijn vader alleen hoor ik er een zeikerig elektrisch toontje of stinkende benzinemotor bij. De handmaaier is niet meer. Manlief en ik kregen hem niet meer vooruit en beiden zijn we van het stempel “wat u niet meer dient en in de weg staat, moogt gij overboord kieperen.” Inclusief antieke grasmaaiertjes.

Een benzinemaaier is het geworden, gelukkig ruikt hij niet. Met heden ten dage een andere bediende; onze jongeman van negentien stapt bedaard, rustig en weloverwogen achter de grasmaaier over het gazon, tenminste als hij zin heeft. Want er zijn zoveel andere dingen in het leven dan grasmaaien.

En het moet ook zo lang, tegenwoordig, dat gemaai. Wel van april tot soms nog in november, het hangt van het weer af en in 2018 duurde de zomer immers tot in november. Inmiddels is het januari, ligt het buitenleven een beetje stil, keert de natuur en ik dus ook wat naar binnen.

Ook in de winter vang ik soms de geur van gras. Wanneer er sneeuw is gevallen en deze weer is gesmolten en ik draaf op een rustig tempo met een zonnetje door de Landsmeerse velden, of in het Twiske. Onmiskenbaar dringt zich de geur van gras in mijn neus, vindt zich een weg richting het reukvertaalcentrum in de bovenkamer. Heel even denk ik dan soms dat de lente in januari al is begonnen.

De geur van gras is mijn groen parfum, een geurig bouquet dat is samengesteld uit verschillende tinten weemoed, begeleid door een vleugje melancholie. De basistoon is vreugde.

Wat weet deze plek van mij? (schrijfveer)

Wat weet deze plek van mij? (schrijfveer)

Tussen mijn wimpers door zie ik een klein peutertje, hard hollend. Haar blonde krullen dansen om haar ronde hoofdje, haar gezicht is rood van de inspanning.
Ze hijgt, ze wordt achtervolgd door twee dames, de een wat ouder dan de ander, ook niet meer piepjong en beiden doen hun best, de kleine jongedame in te halen. Helemaal zonder gevaar is het niet, immers, achter de wuivende wilgen ligt immers het botenhuis. En dus ook de sloot. De moeder vervloekt de vader met zijn open tuin.
Net voordat het meisje bijna niet meer kan remmen, wordt ze aan de banden van haar zwarte jurkje vastgegrepen, door de moeder. Gered. Boos opent het peutertje haar vuistje en gooit iets in het water. Met een grote plons en veel kringen verdwijnt het in het water. Haastig wapperen de eendjes een kant op, geschrokken van het voorwerp.
De moeder is boos. Achter de moeder staat de oudere dame. Ze kijkt ronduit ongelukkig. Het is ook wat, als je kleindochter de sleutel van de antieke klok zomaar, hupsakee, in de sloot kiepert. Een reservesleutel is er niet, dus de rest van het leven van de grootmoeder zal de klok een zinloos bestaan krijgen, in het huishouden.
Een scène verderop knipperen mijn oogleden, zien een meisje van een jaar of vijf, in het grind gezeten met de voeten in gele klompjes gestoken. Hetzelfde model als die van haar vader. Het meisje aait een witte krullenhond, dat zich zielsgelukkig om het meisje heen kronkelt. Dolly houdt van kroelen en van aaien. In de tussentijd kwettert het meisje honderduit. De grijze dame van de andere kant van de heg glimlacht.
De volgende dia op mijn netvlies toont een theemiddag, met de moeder, het kind en de oma. Het kind zit op de mini troon, gelijk de houten troon die binnen bij de oma staat maar dan in minivorm. De gele klompjes van het meisje schommelen vlak boven de grond want elke stoel is immers te hoog voor het klein grietje. Met een bons kukelt het meisje van de stoel. Omgevallen. Te hard geschommeld, zegt de oma. De stoel is niet goed, vindt het meisje.
Op een ander moment komt er een duikelende damesacrobaat voorbij. Met een handstand overslag, een flik-flak en wat radslagen, buitelt ze het gras over. Tot ze niet meer kan. Na deze acrobatische toeren wordt het gras geïnspecteerd en worden de graspollen die her en der hebben losgelaten door het gymnastisch geweld, met een vlotte hieldruk weer terug in het gazon gedrukt. Waarschijnlijk valt het niet op. De vader weet beter.
Een moment verder is het warm, benauwd en vochtig. De lucht is doorspekt van de geur van tomaten. Ze kan het niet velen maar ze moet erlangs, ze moet nog even verder kruipen want daar hangen haar blauwe vrienden, die rijkelijk bungelen in het zonlicht. Aan de andere zijde hangen de groene maar die zijn nog zuur. Het meisje mag niet in de kas komen maar ze doet het toch. Met blauwe lippen meldt ze zich terug binnen. Nee, warm eten hoeft niet meer, geen trek, na de suikerbom van verse druiventrossen.
Ik open mijn ogen, rek me behaaglijk uit op de slaapbank buiten, in het late zonlicht dat nog wat over het terras strijkt. Glimlachend kijk ik uit over de tuin, mijn groene vriendin. Zij weet alles van mij, was al voor mijn komst aanwezig, in verschillende vormen en paden. Mijn groene oase, mijn schuilkelder, onkruidhel en hemel tegelijk. Zij is mijn heden en verleden; soms reis ik met haar terug in de tijd en verblijf ik weer voor even in de tuin van mijn vader.