Archief van
Tag: rouwkost

Eeuwig

Eeuwig

Ergens in de geschiedenis besloten een stevige Friezin uit Kootstertille en een Noord-Hollandse kippenboer om voor altijd bij elkaar te blijven. Samen kregen ze aan het eind van de negentiende eeuw een dochter. Over één ding waren ze het eens: zij zou het beter krijgen.
Het stel kocht eind jaren twintig van de vorige eeuw een huisje voor haar. Sterker nog: ze kochten er twee want de dochter had inmiddels haar zinnen gezet op een leuke bomenfluisteraar uit de Beemster. Samen besloten ze boomvruchten en bloemenpracht te verkopen, in de buurt. Het eerste huis werd woning; het tweede deel werd winkel.
De dochter kreeg op haar beurt een zoon, die de groene vingers van zijn vader erfde en het zakelijk instinct van zijn moeder.
Vlak na het begin van de Tweede Wereldoorlog verloor de dochter zomaar ineens haar vader. Toen deze oorlog – waarin de dochter haar zoon regelmatig had moeten verstoppen voor razzia’s – was geëindigd mocht de vrede in huis maar een paar jaar duren. Ineens verloor de dochter haar grootse Friese moeder.
Niet veel later ging het ineens niet meer zo goed met de gezondheid van de boomfluisteraar uit de Beemster. De man die ooit hartstochtelijk met kwastjes in de weer was geweest voor het bestuiven van fruitbomen, was ineens een kasplantje geworden.
In de tussentijd kreeg de zoon van de dochter kennis aan een stadse dame. Voordat deze ook maar echt kennis met haar schoonvader had kunnen maken, overleed hij vrij plotseling. De bloemenwinkel werd een woonhuis. In het voorjaar na het overlijden van de boomfluisteraar uit de Beemster werd zijn kleinkind geboren. De dochter van de kippenboer en de Friese vrouw werd weduwe, grootmoeder én buurvrouw.
Op een dag in wat weer een zorgeloos bestaan was geworden bleef haar zoon met de groene vingers zomaar ineens dood. Gebroken van verdriet en ziekte volgde de dochter van de kippenboer hem niet veel later, in hetzelfde graf waar eerder al de zoon en de boomfluisteraar uit de Beemster waren gelegd.
Inmiddels wandelt de achterkleindochter regelmatig over de begraafplaats waar de personen uit deze akte zich -met uitzondering van de stadse dame- hebben verzameld. Meestal wandelt ze gewoon een rondje. Eerst langs haar vader, de hovenier, en langs oma. Opa, de boomfluisteraar uit de Beemster, ligt er ook maar die kent ze niet, hij is immers een half jaar gestorven voor ze werd geboren.
Iets verder, bij de waterplaats, ligt een grijs geworden graf op een zonnig hoekje. De achterkleindochter loopt er regelmatig met de nodige eerbied voorbij. De letters zijn wat verschoten maar nog goed te lezen. Het graf van de kippenboer en zijn Friezin. Het stel dat elkaar ergens in de jaren twintig van de vorig eeuw leerden kennen en besloten bij elkaar te blijven. Ze kregen een dochter en waren van mening dat zij het beter moest krijgen dan zij.
Er lag een bordje van de gemeente op het graf van mijn overgrootouders, met het verzoek aan de rechthebbenden om telefonisch contact op te nemen. Na enkele dagen van nagelbijten (bang dat er geruimd zou moeten worden) heb ik gebeld, niet wetende wie rechthebbende zou zijn. Ruimen van het graf was geenszins het geval; ging erom dat de gemeente rechthebbenden kan uitnodigen tot het bijwonen van herdenkingen. Sinds deze week ben ik pleegmoeder geworden van het graf, waarbij de gemeente heeft bevestigt dat het om een eeuwig graf gaat, voor zolang eeuwig kan duren uiteraard. Hetzelfde geldt voor het graf van mijn vader en zijn ouders.
Het geeft mij rust.

Cactussss…dus

Cactussss…dus

In februari 2013 beloofde ik plechtig beterschap aan de vriendinnen van mijn moeder. Ik zou haar planten in leven laten. De eerlijkheid gebiedt me te vertellen dat mams en ik al een stilzwijgend verbond van vervangen hadden gesloten maar vriendschap overstijgt en dus legde ik mijn groene eed tot de zorg voor mijn moeders planten af op straffe van boetedoening.
In den beginne van mijn nieuwe jaartelling zonder moeder, maart 2013, kocht ik vijf planten. Plechtig beloofde ik deze tot mijn eigen dood in leven te houden want een overlijden doet rare dingen met een mens en dus ook met mij. Tussen 2013 en 2014 kan ik eervol en plechtig zweren dat er geen enkele plant verloren is gegaan.
Daarna kwam de klad erin en legde de Hedera,de lievelingsplant van mijn moeder, als eerste het loodje. Omdat ik niet alleen wist hoeveel mijn moeder van het plantje hield maar mijn pappenheimer kende en dus ook wist waar zij ze geregeld kocht, sloeg ik een stil kruisje en fietste ik naar Landsmeer, om een nieuwe Hedera aan te schaffen, hetgeen geschiedde.
Zo ging dat een tijdje door. De ene keer overleed de varen, de andere keer de Anthurium. Zelfs een Dieffenbach, wars van kuren en ingewikkelde toestanden, heeft het in mijn huis niet mogen overleven. Nadat ik willekeurig welke plant overleden verklaarde, kocht ik dapper een nieuw gelijk uitziend exemplaar, om daarna schuldbewust boete te doen in een Amsterdamse schuilkerk, ergens in de Kalverstraat. Mocht ik ooit zoekraken: zij kennen mij en weten hoe ik eruit zie.
Er is echter één plantje dat ik niet met rust kan laten en tot vervelens toe met eigen leven bewaak. Het stelt weinig voor, het is slechts een miniem klein microscopisch waarneembaar klein cactusje. Maar ooit stond ze naast het ziekbed van mams, in een groene kikkerkop, afkomstig uit een zekere Amerikaanse hamburgertent. Mijn moeder kende twee liefdes: Mozart en haar kleinkind. Dus toen het kleinkindventje thuiskwam met een ijsbekerkikkerkop werd daar de cactus in gestoken. En die vorm van leven bewaak ik dus van harte.
De kikkerkop is inmiddels in de kliko beland. Want hoewel ik mijn moeders liefde deel voor het kleinkindventje, mijn zoon, weiger ik om zijn totemdieren uit de MaC in mijn leven toe te laten. Mijn moeders cactusje daarentegen verzorg ik nog immer liefdevol. Dat wil zeggen: in de periode dat het buiten licht is. In de wintermaanden doe ik de gordijnen steevast dicht met de groeten aan de buitenwereld. De kachel aan en het zal me jeuken wat er verder gebeurt.
Na drie maanden winterse gordijnensessies bleek er vorige week weinig over van het mini cactusje. Dapper heb ik haar gereanimeerd, uit de droge aarde getrokken en haar wortels (nou ja het droge kluitje) met lauw water overgoten. Dikke tranen vergoot ik over de vensterbank, vervuld van innig zelfmedelijden want ik heb immers verzaakt?
Vanmorgen, in de vroege maartse ochtendzon, bleek het tegendeel. Mijn cactusje, pardon, mijn moeders cactusje, is zeer beslist nog in het rijk der levenden. Ze is groen dus overleeft het wel. Gelukkig maar want morgen komen de vriendinnen van mijn moeder op visite.
Ik weet waar ik ben, komende maandagmorgen. Amsterdam, ergens in de Kalverstraat.