Archief van
Tag: rouw

Helft

Helft

Hoewel de leegte nog altijd groot is, begint de ruimte  langzaam te wennen. Wanneer ik over de drempel van het huis stap na een bezoek aan een vriendin, klein behuisd, gebeurt het. Er komt een warm gevoel over mij. Een ruimtelijk gevoel. Direct daarna schrik ik. Mag dat nu al? Is dat niet raar? Want enkele maanden terug was het bij ons nou ook niet echt heel ruim of groot te noemen. Alles stond een beetje krap en het had een reden.

Het huis waarin ik woon is ook mijn ouderlijk huis . Ik ben nooit echt verhuisd dan wel losgekomen van mijn moeders rokken. Het huis zelf heeft een lange historie.  Mijn overgrootouders kochten de helft van het pand in de jaren twintig van de vorige eeuw voor tweeduizend gulden. Een wereldbedrag. Ze konden er nagenoeg een jaar niet van slapen, tenminste dat stel ik me zo voor. Ik was er immers niet bij. Halverwege de jaren dertig kocht overgrootvader ook de andere helft van het pand. Met de bewoner er nog in. Dat kon in die tijd. De bewoner had een levenslang recht van bewoning, met huur. Je hoefde alleen nog maar te wachten tot de bewoner dood ging. De bewoner, buurvrouw,  was inmiddels een oud wijfje van in de tachtig. Het kon niet mis gaan.
Toch zou het nog jaren duren, voordat mijn grootouders hun droom in de vorm van een bloemenwinkel konden verwezenlijken. Inmiddels waren ze de trotse ouders geworden van mijn vader. Niet veel later brak de oorlog uit. Met het kweken van tabaksplanten en wat ruil van plantjes konden mijn grootouders de oorlog redelijk doorkomen. Een aantal keren moesten ze mijn vader, die een jongeman was geworden,  verstoppen. Er waren verschillende razzia’s in het dorp geweest om jonge mannen naar Duitsland te deporteren. Nu ik dit schrijf  bedenk ik me, dat de schuilruimte helaas met de laatste verbouwing verloren is gegaan.
Vlak na de oorlog stierf de oude buurvrouw en werd de droom van mijn grootouders, een eigen bloemenwinkel, werkelijkheid. In 1969, mijn vader was 42 jaar, leerde hij mijn moeder #mams kennen. Ze werden verliefd en tegen alle wetten in werd #mams zwanger. Ze trouwden. Als welkomstcadeau werd de bloemenwinkel professorisch verbouwd tot een klein woonpaleis voor het gloednieuwe gezinnetje. Paps en mams werden de nieuwe buurtjes van opa en oma.
Net voor mijn geboorte verruilde mijn grootvader zijn dagelijks bestaan voor het eeuwige. Oma bleef in haar kant van het huis wonen. Oma werd dus ook mijn buurvrouw. Ik was vaak bij haar, deed een toetje na, wanneer het avondeten achter de rug was. En wanneer we spruitjes aten vond ik ze bij oma toch even lekkerder, dan thuis.  Oma was mijn alles. We begrepen elkaar onuitsprekelijk.
Net voor mijn zenventiende verjaardag verdween oma uit beeld en werd zij in het ziekenhuis opgenomen. Op late leeftijd diabetes gekregen en moest zij nog een stukje voet missen. Niet veel later, in een van de eerste lentenachten van 1987,  overleed haar zoon, mijn vader.  Ons dubbele sprookjeshuis werd een nachtmerrie met loden waterleidingen en koperen lichtknoppen die soms een akelige vonk gaven wanneer je het licht wilde aandoen. In de zomer na het overlijden van mijn vader, stierf oma ook. Van verdriet en ouderdom.
Mijn vriendje kwam in beeld. Een lieverd met drie rechterhandjes en verstand van bouwzaken. Toen hij verder wilde met mij werd al gauw duidelijk dat hij mijn moeder als buurvrouw moest accepteren. Hij deed het. Met liefde. Wederzijds, overigens. Het verhaal verlengde zich en mijn moeder werd onze buurvrouw. Lief en ik betrokken het huis wat eens van mijn grootouders was geweest, na een lange verbouwing van bijna drie jaar.
In 2011 beleefden we opnieuw een grote verbouwing, waarbij we tot hilariteit en stevige paniek maar liefst acht maanden in de schuur hebben gewoond. Het resultaat was verbluffend en ons gezin keek met veel plezier op de verbouwing terug. Het gaf ons vreugde in de zin dat zowel #mams en wij nuttig voor elkaar hebben kunnen zijn in de zin van zorgen voor elkaar. Tijdens de verbouwing hebben we vaak onze bezorgdheid uitgesproken over de houdbaarheid van mijn moeder in haar nieuwe huis. Al konden we er toen nog erg om lachen.
Een half jaar heeft ze van haar nieuwe kant van het huis mogen genieten. Via de geniaal bedachte voordeursluis konden alle thuiszorgengelen gemakkelijk bij zowel #mams als mij binnenkomen. De gelijkmatige vloer was een uitkomst, zowel met looprekje als rollator.
Nu #mams er niet meer is,  is haar  kant van het huis akelig leeg. We besloten te mixen, zodat haar kant van het huis geen museum zou worden. Nu we verschillende meubelstukken wederzijds hebben verplaatst voelt het een klein beetje als thuis, al is de ruimte nog wat groot.  Waar je normaal gesproken aankomt van een boterham met pindakaas val ik er juist van af doordat ik een halve marathon moet afleggen wil ik überhaupt een bammetje kunnen smeren.
Binnenkort gaan we opnieuw verbouwen. Tijdens de grote verbouwing in 2011 hebben we rekening gehouden met enkele cruciale punten waaronder aanwezigheid van alle bewoners en wat te doen wanneer een of meer bewoners zich niet meer in het pand zouden bevinden.  De tussenmuur gaat eraan. Eruit. De muur waarover strijd is gevoerd en waarmee is geschoven. De muur die voor spanning zorgde en zo mooi uit de verf kwam.
Twee helften worden opnieuw een. Eigenlijk is dat best mooi.

Getijd

Getijd

index
Wanneer de laatste middagzon zich aandient door het raam begint het.  Eerst kijk ik nog blij naar buiten, even later rolt het zilte zout over mijn wangen.  Het is niet uit te leggen en nog minder te begrijpen.
De ochtenden zijn nog het best te behappen. Te doen. Te beleven of meer nog te ontwijken. Het ritueel is niet veranderd want mijn ogen openen zich ver voor acht uur.  Met een kopje thee aan de ontbijttafel maak ik virtueel de griesmeelpap warm die ik niet op eet en ook niet in huis heb. De knop draait zich als vanzelf op vijftig  seconden op 750 graden.
De honing vindt zich vanzelf een weg door het hete water, vermengd met rooibosthee.  Om half negen open ik de gordijnen. Tegenwoordig is het licht, zo’n vijfenveertig dagen geleden was dat een ander verhaal. Met het licht komt ook de koude van buitenaf naar binnen.  Veertig dagen geleden viel me dat niet op.
Om half tien neem ik koffie. Niet omdat ik er trek in heb maar omdat het tijd is.  Met een ontbijtkrackerT met muesli nootjes. Waarvan de nootjes zeer doen aan een zekere vorm van een gebit maar niet het mijne.
Even later moet ik stofzuigen. De vacht van onze harige kindertjes laat los, als teken dat er een nieuw seizoen op komst is, al heb ik het nog niet zo in de gaten. Met de koptelefoon op standje zestig decibel wapper ik wat door de kamers. Hoe harder de muziek, hoe meer de boodschap weg blijft. De boodschap der berichten. Dat ene nieuwtje dat je niet wilt weten en toch elke keer weer genadeloos binnenkomt. Dat binnendringt in de voorste cortex en niet meer weggaat, hoe hard ik de muziek ook opzweep.
Dertienhonderd uur. De tijd van broodjes met kaas. Of smeerworst, voordat het zo begon te plakken. Dapper beleg ik mijn volkoren bammetje met wat Nutella. Het glijdt zo makkelijk weg. Halverwege kieper ik de helft in de kliko en stort ik virtueel geld over aan de kindertjes in Afrika en ik stort in. Zoals tot nog toe elke dag. Dan maar even slapen, droomvrij liefst.
Drie uur ’s middags. Wakker. Ergens binnen mijn voorhoofd knippert een waarschuwingslampje. Er was iets naars maar wat was het ook alweer. Even later, wanneer ik de vlammen van het fornuis ontbrand, weet ik het. Zoals elk etmaal. Het went niet. En hoe lief bedoeld ook: tijd heelt nog even niks.  Even nog wil ik niets met tijd te maken hebben. Want het is tekort en teveel tegelijk. De tijd was van mijn moeder. Niet van mij.