Archief van
Tag: reizen

Expansie

Expansie

Vanmorgen ben ik naar de andere kant van het IJ gereisd. Op zich is dat niet bijzonder, ik kom er vaker en al zeker op de maandagmorgen. Meestal reis ik per fiets, vervolgens pak ik de pont over het IJ, zodat ik op het voordek lekker met mijn (ultrakorte) haar in de wind sta, om de zoute zilte lucht van het water op te snuiven.

Vandaag wilde ik echter graag per metro reizen. Want hij is er; hij rijdt en in Amsterdam weet je nooit hoe lang zoiets duurt. Onze gewraakte metro, van Noord naar Zuid, die van weet ik hoeveel miljarden waardoor de rest van het OV in Amsterdam voorgoed onderuit geschoffeld is om de kosten te drukken. Die metrolijn, waarover de Noorderlingen inmiddels in een onderlinge oorlog zijn verwikkeld. Het ligt allemaal ook moeilijk. De helft van de buslijnen is verdwenen en voor sommige wijken is het overstappen geblazen, wil je überhaupt bij die metro in de buurt kunnen komen.

Na mijn ochtendyoghurt besloot ik dan ook dat ik klaar was met het lezen óver de metro; ik wilde hem ervaren. De Albert Cuypmarkt werd mijn doel; halte De Pijp. Volgens vele Noorderlingen is ook dat geen goed idee want die Cuypmarkt is vreselijk; de Dappermarkt is veel leuker. (Dat is overigens ook een ingewikkelde discussie). De Dapper ligt echter mijlenver van de Noord-Zuidlijn vandaan en was voor vandaag dus zeer beslist geen optie.

Met mijn eigen vertrouwde bus kon ik naar het metrostation rijden. Op zich fijn dat ik niet hoefde te zoeken naar welke bus en op welke tijd. Op elke bushalte bevindt zich overigens tegenwoordig een QR-plaatje; wanneer je dat inscant op je telefoon (wel even zo’n appje downloaden) krijg je in no time bericht hoe laat je bus arriveert. Daarnaast beschikken enkele haltes over matrixborden, waarin de komst of vertraging van je vervoermiddel wordt aangekondigd.

Mijn busrit zelf verliep voorspoedig, in zeven minuten bevond ik me reeds op het metrostation. Uitgecheckt van de bus en weer ingecheckt achter de metropoortjes. Eenmaal met de roltrap richting het perron werd vriendelijk omgeroepen dat deze metro naar Zuid elke 6 minuten vertrekt. Onze metro, uit Noord! En ook elke zes minuten weer terug! Zo kun je als Noorderling geen heimwee kweken, in Zuid.

De metro begon te rijden, verliet het bijzondere architectonisch gebouw van waaruit zonlicht in meerdere kleuren naar binnen schijnt en vervolgens gleed er een bekend landschap aan me voorbij. Een stukje van de Buiksloterdijk kon ik zien, evenals de in aanbouw zijnde wijk Elzenhagen-Zuid. Na een ademteug waren we op station Noorderpark aanbeland. Vandaar af dook de trein onder de grond.

Ineens raakte ik zomaar ontroerd, kon ik nog net een snik inhouden. Want ik vond en ik vind het wat. Het is ook wat, dat deze Noorderling na eenentwintig jaar bakkeleien en bouwen, op weg is naar Zuid. Er is zoveel te doen geweest over deze Noord-Zuid lijn, zowel in Amsterdam als er ver buiten. Er is zoveel geschreven, zoveel gezegd of juist niet gezegd. Het was een strijd dat de metro er (niet) kwam en vervolgens moest er nog een strijd werden geleverd tussen de metersdikke boor en de ondergrond van Amsterdam, die zich verweerde en akelig verzakte. Ondanks alle ellende en overschrijdingen kan ik nu vandaag zomaar naar Zuid. Naar de Pijp, in ieder geval.

Tien minuten na vertrek uit Noord beklim ik de meterslange roltrap van Station De Pijp. Eenmaal bovengronds, rol ik zó de Cuyp op. Dat is nog eens je bestemming bereiken. Vertwijfeld kijk ik om me heen; er zijn nagenoeg geen auto’s, of vrachtverkeer te bekennen. Wel zie ik veel wandelaars en fietsers plus een enkele tramlijn 24, die wat verdwaast tinkelt in afwezigheid van zusterlijn 16, op weg naar het Weteringcircuit. Op de hoek van de straat ontdek ik nieuwe sierlijke zwarte wegwijzers, bedrukt met gouden letters, richting Museumplein en Ceintuurbaan.

Ik besluit het vandaag bij de markt te houden. Als Noorderling verwonder ik me graag in kleine etappes.

Wat weet deze plek van mij? (schrijfveer)

Wat weet deze plek van mij? (schrijfveer)

Tussen mijn wimpers door zie ik een klein peutertje, hard hollend. Haar blonde krullen dansen om haar ronde hoofdje, haar gezicht is rood van de inspanning.
Ze hijgt, ze wordt achtervolgd door twee dames, de een wat ouder dan de ander, ook niet meer piepjong en beiden doen hun best, de kleine jongedame in te halen. Helemaal zonder gevaar is het niet, immers, achter de wuivende wilgen ligt immers het botenhuis. En dus ook de sloot. De moeder vervloekt de vader met zijn open tuin.
Net voordat het meisje bijna niet meer kan remmen, wordt ze aan de banden van haar zwarte jurkje vastgegrepen, door de moeder. Gered. Boos opent het peutertje haar vuistje en gooit iets in het water. Met een grote plons en veel kringen verdwijnt het in het water. Haastig wapperen de eendjes een kant op, geschrokken van het voorwerp.
De moeder is boos. Achter de moeder staat de oudere dame. Ze kijkt ronduit ongelukkig. Het is ook wat, als je kleindochter de sleutel van de antieke klok zomaar, hupsakee, in de sloot kiepert. Een reservesleutel is er niet, dus de rest van het leven van de grootmoeder zal de klok een zinloos bestaan krijgen, in het huishouden.
Een scène verderop knipperen mijn oogleden, zien een meisje van een jaar of vijf, in het grind gezeten met de voeten in gele klompjes gestoken. Hetzelfde model als die van haar vader. Het meisje aait een witte krullenhond, dat zich zielsgelukkig om het meisje heen kronkelt. Dolly houdt van kroelen en van aaien. In de tussentijd kwettert het meisje honderduit. De grijze dame van de andere kant van de heg glimlacht.
De volgende dia op mijn netvlies toont een theemiddag, met de moeder, het kind en de oma. Het kind zit op de mini troon, gelijk de houten troon die binnen bij de oma staat maar dan in minivorm. De gele klompjes van het meisje schommelen vlak boven de grond want elke stoel is immers te hoog voor het klein grietje. Met een bons kukelt het meisje van de stoel. Omgevallen. Te hard geschommeld, zegt de oma. De stoel is niet goed, vindt het meisje.
Op een ander moment komt er een duikelende damesacrobaat voorbij. Met een handstand overslag, een flik-flak en wat radslagen, buitelt ze het gras over. Tot ze niet meer kan. Na deze acrobatische toeren wordt het gras geïnspecteerd en worden de graspollen die her en der hebben losgelaten door het gymnastisch geweld, met een vlotte hieldruk weer terug in het gazon gedrukt. Waarschijnlijk valt het niet op. De vader weet beter.
Een moment verder is het warm, benauwd en vochtig. De lucht is doorspekt van de geur van tomaten. Ze kan het niet velen maar ze moet erlangs, ze moet nog even verder kruipen want daar hangen haar blauwe vrienden, die rijkelijk bungelen in het zonlicht. Aan de andere zijde hangen de groene maar die zijn nog zuur. Het meisje mag niet in de kas komen maar ze doet het toch. Met blauwe lippen meldt ze zich terug binnen. Nee, warm eten hoeft niet meer, geen trek, na de suikerbom van verse druiventrossen.
Ik open mijn ogen, rek me behaaglijk uit op de slaapbank buiten, in het late zonlicht dat nog wat over het terras strijkt. Glimlachend kijk ik uit over de tuin, mijn groene vriendin. Zij weet alles van mij, was al voor mijn komst aanwezig, in verschillende vormen en paden. Mijn groene oase, mijn schuilkelder, onkruidhel en hemel tegelijk. Zij is mijn heden en verleden; soms reis ik met haar terug in de tijd en verblijf ik weer voor even in de tuin van mijn vader.