Belofte

Voorzichtig schenk ik mijn flûte bij met Prosecco. Het is nieuwjaarsdag en ik heb wat te vieren.

Nee, dit jaar doe ik niet aan goede voornemens. Het woord voornemen alleen al vind ik te plechtig om uit te voeren en meestal eindigt zo’n voornemen in een probeersel. Probéren om minder te eten, probéren meer te sporten en probéren om meer geduld te hebben. Proberen wordt al gauw een poging en halverwege de maand januari strandt de poging en daarmee het voornemen glansrijk en daar zijn die dingen nou juist niet voor bedoeld.

Geen voornemens meer voor mij; anno tweeduizendzestien doe ik aan beloftes. Dat oogt niet alleen vriendelijker maar ook zijn ze lastiger te omzeilen. Een belofte maakt immers schuld.

Dit jaar heb ik mezelf beloofd om te stoppen met een hele slechte gewoonte. Nee, het gaat niet over roken. Deze maand is het twee jaar geleden dat ik mijn laatste sigaret uitmaakte en nog steeds weet ik heel zeker dat ik nooit meer zal roken. Het voelt overigens waanzinnig goed om dat zo stellig uit te kunnen spreken.

Ik heb mezelf beloofd om nooit meer op mij te mopperen. Daaronder mede verstaan mezelf af te zeiken, af te kraken en mezelf onderuit te halen. Het is mooi geweest, ik verdien meer dan mijn eigen onderlaag. Ik ga mezelf meer complimenten geven over eigenschappen en competenties waar ik goed in ben en bovendien wil ik me (verder) ontwikkelen op vlakken die ik onder de knie heb én op gebieden die ik lastig vind.
Tot nu toe vind ik het een prachtbelofte.

Meer nog: ik vind het een cadeau.

Advertenties

Vamos a la casa

IMG_20141023_082219Er zijn teveel beelden in mijn hoofd en woorden schieten tekort. Een overschot aan plaatjes die me beletten, om te vertellen hoe het nu werkelijk was, die ene week ergens anders. Het vliegen, los zijn van de grond. Een stukje hemel, op weg naar de zon. Opstaan in een andere wereld. Het was veel. Heel veel.

Nu mijn Spaanse spulletjes tegelijk met mijn oudste en liefste vriendin mee terug zijn gekomen, vallen de laatste stukjes op de plek. Terwijl ik de plastic zakjes uit de knoop peuter, zie ik ergens een groene deksel doorheen schijnen. Blij verrast scheur ik het zakje los en ruik aan het potje. Op slag zie ik mezelf weerspiegeld in de blauwe tegeltjes van de Spaanse badkamer, die een week de mijne was, omarmd door de argan bodycreme, als aromatisch aanwezige beschermengel.

Onderin het plastic tasje zie ik het zwarte gehaakte handtasje van mijn moeder, dat ik op de reis had meegenomen omdat het zo’n lekker klein handig tasje is. Terug in Nederland bevat ze een schat aan gevonden juwelen uit de mediterrane wateren, die ik met gevaar voor eigen leven uit de zee heb opgediept. Zo ver weg in het zand verstopt soms, dat ik op een kwade dag bijna waarlijk verzoop door een verloren golf en een overschot aan overmoed. Daags erna waadde ik opnieuw met gevaar voor eigen leven door de golven om mijn verzameling compleet te maken.

Terwijl ik de bontgekleurde schelpjes en stenen voorzichtig een voor een uit hun zakje pak, rollen de tranen over mijn wangen. Niet van verdriet maar van ontroering. Verwondering. Over wat de verkansieweek met me heeft gedaan. Correctie: wat het nog steeds met me doet. Verbazing over wat het uitpakken van wat achtergebleven spulletjes uit het verre Spanje in me losmaakt. De vreugde van het weerzien van mijn zomerjurkje, om gelijkertijd de zongekleurde beelden van Montserrat en haar Madonna Negra vers in mijn geheugen geladen te krijgen. Nogmaals te beleven, hoe mooi het was, zonder heilig te zijn. De heerlijkheid van het aantrekken van mijn voetsieraden, mijn birckenstocks.

De houtkachel brult. Zo meteen komt de voetbalwedstrijd Ajax-Barcelona op de televisie. Twee weken geleden keek ik flarden van de wedstrijd andersom, in Spanje, op mijn blote voeten, in een jurkje op een warm balkon. Ik trek mijn sokken uit, dirigeer mijn voeten in de birckenstocks. Mijn gedachten tollen rond.

Ergens onderweg tussen de wattige wolken en Spanje is er een luikje in mijn hoofd opengegaan , heeft er een pittig zeerbriesje doorheen gejakkerd. De zon heeft niet alleen mijn huid verbrand maar ook mijn angsten. Tijdens die ene week is mijn zelfbeeld gerepareerd, en is mijn mottige ego opgepoetst, die ergens in de late Middeleeuwen was blijven hangen. Van Henk Gemser, misschien kent u hem nog van die foute Becel-reclame, (“dat kan béter!”) heb ik de huur opgezegd uit dat ene hoekje van mijn hoofd en ik wil hem daar nooit, nooit meer terugzien.

De brievenbus rammelt, er valt een kaartje op de mat. Opnieuw raak ik ontroerd. Ja, ik ben naar huis gegaan. En ja, het was koud in Nederland, maar ondanks dat is er een lekker vuurtje in mijn hart blijven branden. Een Oosters gezegde zegt, dat alles wat je aandacht geeft, groeit. Dus als je iets wilt loslaten, moet je er geen aandacht meer aan geven.

Eigenwijs als ik ben, draai ik het beter om. Liever groei ik me suf.