Tagarchief: ministerie van moederzaken

Eigen wijsheid

Tijd heelt, maakt verschil. Een maand geleden zag de wereld er heel anders uit. Donker, grauw en doorspekt met zwarte wolken. Nu, in januari, schijnt de zon en doet haar best de winter op een lente te laten lijken. Ik geniet. Met volle teugen.

Zojuist hebben mams en ik de buurt opnieuw verkend. Zij in de rolstoel, ik erachter. Andersom werkt het namelijk niet. Het was heerlijk om in de buitenlucht te vertoeven. We genoten van het zonlicht, dat onze hoofden aangenaam verwarmde. Heel even leek het of het voorjaar was geworden.

De rolstoel van mams is een binnen rolstoel. Zo’n ding met kleine wieltjes. Binnen uiterst handig tussen kast en tafel te manoeuvreren maar buiten is het apparaat eigenlijk niet te behappen. Ik moest dus flink mijn best doen om de uitdaging met een stoepje of een afrit aan te gaan.
Verderop in de wijk stonden twee auto’s waaronder een SUV, op de stoep geparkeerd. Ik besloot mams met rolstoel en al op het wegdek te laten afdalen, zodoende de geparkeerde vierwielers te ontzien. Halverwege ging het mis, de voorwieltjes bleven steken in de goot en mams gleed bijna voorover, zo vanuit de rolstoel. Met een flinke ruk kon ik de rolstoel weer achteruit trekken. Opgelucht bliezen we even later uit, op de stoep. Nog hijgend van de schrik en met nog steeds twee auto’s als alternatieve trottoirblokkade voor onze neus.

Plots stond er een grote meneer voor me. Nogal breed. Passend bij de SUV. Vriendelijk lachend bood hij aan zijn auto van de stoep te verwijderen. “Nou graag,” antwoordde ik. “Met een auto minder kom ik er wel langs, denk ik.” Niets daarvan, de meneer trok ook gelijk aan de bel bij zijn buurman en beiden parkeerden hun auto’s een stukje verderop, waarmee we vrij baan kregen.

Na een poosje flink duwen over het asfalt – de stoepen liet ik maar links liggen- kwamen we weer thuis. Met wat pijn en moeite kon ik mams via onze achterdeur weer naar binnen manoeuvreren. Even later lag hare koninklijke majesteit weer prinsheerlijk in haar bed, warm toegedekt, met glinsterende oogjes. “Je bent me d’r eentje,” verzuchtte mams. “Zo’n onderneming voor een stief kwartiertje. Zoiets zou je grootmoeder ook hebben gedaan. Ze was net als jij een eigenzinnig mens, die altijd uitdagingen zag, in plaats van problemen.”

Zonder dat mams het ziet zucht ik maar even diep. Die eigengereidheid heb ik echt niet van mijn grootmoeder geërfd maar van een zekere generatie erna. En zorgen heb ik wel degelijk. Gelukkig kan ik goed puzzelen. Een goede eigenschap, die ik waarschijnlijk uit deze of gene generatie van de andere kant heb meegekregen.

Orthodompteur

Twintig minuten na de tijd van onze afspraak stappen we de ruimte in. Vanuit de wachtruimte schettert de housemuziek met ons mee. Een schril contrast met de praktijk van onze eigen beugeltandarts. Helaas is zij verhuisd. Vandaag maken we kennis met de nieuwe praktijk, om de hoek.

In de zaal staan vijf behandelstoelen opgesteld, elk in eigen kleur, gescheiden door halfhoge muurtjes. Elke behandelruimte is in de tint van de tandartsstoel geschilderd. De assistentes zijn bijpassend gekleed. Alle behandelstoelen zijn gevuld.

Onder de indruk nemen puber en ik plaats in de groene ruimte, naar welke we zijn verwezen. Puber klimt in de tandartsstoel, ik plof op het klapstoeltje. Een kwartier lang gebeurt er niets.  

Plots huppelt er een mevrouw in een lichtroze shirt naar ons toe. “Hallo, ik ben de mondhygieniste, ik ga uw zoon even reinigen.”  Ik antwoord dat het niet nodig is, we zijn pas nog naar de tandarts geweest en de puber is schoon verklaard.
De roze mondjuffrouw is duidelijk niet gewend om te worden tegengesproken. “Wij hebben hier de regel dat…”  “Dat kan best,”  onderbreek ik haar, “maar bij hem vandaag –mijn vinger wijst naar pubermans die inmiddels een beetje rood is aangelopen-  niet.”  

Verbijsterd stapt de tandenschoonmaakster een muurtje verder en overlegt met een subtropisch uitziende meneer. Blijkbaar is hij de baas van het spul. In de afgelopen vijftien minuten heeft hij vijf patienten tegelijk in consult gezien en behandeld. Althans, hij heeft gekeken; zijn assitentes hebben de behandeling uitgevoerd. Tenminste, ik heb boorgeluiden gehoord. Zeker weten doe ik het niet.

Vastberaden stapt de tandarts vanuit de paarse ruimte onze groene zone binnen. Blijkbaar heeft hij ook verstand van beugels. Nadat hij ons een hand heeft gegeven werpt hij een blik op de computer. Helaas, geen informatie. De baliejuffrouw heeft geen tijd gehad om de papieren van puber in te scannen. Ze is druk aan het telefoneren. Haar toelichting op de facturen is live te volgen in de behandelstoel.  

Demonstratief zet ik de gebitsmodellen van pubermans, die ik keurig van onze eigen beugeltandarts heb meegekregen, voor de snufferd van de orthodentalist.  “Zo was het,” zeg ik. “De huidige onderbeugel heeft hypermoderne slotjes en volgens uw website plaatst u deze ook. Dat is de reden waarom we naar uw praktijk zijn overgestapt; onze oude beugeltandarts is verhuisd.”
De tandentovenaar bekijkt de gebitsmodellen van puber. Het gezicht van de beugelboer licht plots op; blijkbaar is hij eruit. Er moet gehapt en er moeten nieuwe foto’s gemaakt. “Want dan hebben we een startpunt.” De roze mondhygieniste komt weer terug in onze groene zone; blijkbaar is ze ook gebitsmodelhapkundige.

Puber doet dapper zijn best niet over zijn nek te gaan tijdens de hapsessie. Keurig houdt hij het hapspul binnen, zodat het goedje niet over de roze mevrouw wordt gestort.  In tegenstelling tot de afspraken die we met elkaar hebben gemaakt houd ik zijn hand vast en coach hem door het happen heen. “Door je neus ademen lieverd, bijna klaar,” zeg ik.

De monhygieniste is een multitalent want ze maakt ook de röntgenopnamen. Met drie andere collega-assistentes erbij, tot ik een einde maak aan dit tandencircus en eis, dat er slechts één assistente de kans krijgt om de winnende foto te maken. 
Terwijl pubermans gefotografeerd wordt, blijf ik de tandensoap om me heen volgen. Aan de overkant van de zaal stapt  een kleutertje van een jaar of vier dapper in de oranje stoel. De bijpassende assistente staat te babbelen met haar collega. Plotseling zie ik de man die net nog onze orthodentalist was,  langs het oranje muurtje stappen. Vervolgens buigt hij zich over de tandjes van de kleuter.

“Zij krijgt veel vruchtensap?” concludeert hij zonder het kleutersmoeltje inhoudelijk te hebben bekeken. De ouders ontkennen collectief. “Ben je klaar met de controle?”, vraagt hij vervolgens aan de oranje assistente. “Jazeker,” liegt zij zonder blikken of blozen.
“Komt u over een half jaar terug, dit gebit is prima” zegt de orthodentalist tegen de ouders, terwijl hij langs het oranje muurtje danst, op weg naar zijn volgende slachtoffer.  Verbijsterd kijk ik hem na. Dit wordt een consult van tientallen euro’s door een gebitsgoochelaar die nauwelijks iets heeft gezien danwel gedaan.


Wanneer puber en ik na het röntgenfestival opgelucht de toko verlaten, kijken we elkaar aan. In mijn tas zit een nieuwe afpraak, voor over drie weken, voor wéér een consult van vijftien minuten. Om de beugel even dóór te spreken. Vlug veeg ik wat restjes roze hapspul van de wangen van mijn puber. Zonder onderling overleg weten we genoeg. Wij verhuizen met onze eigen beugeltandarts mee.
Desnoods naar China.