In sense

Regelmatig kom ik herinneringen tegen op Facebook van vier jaar geleden, toen een hersenvliesontsteking mijn moeders laatste herfst inluidde. Tegenwoordig kan ik dat hardop teruglezen zonder dat ik in duizend stukjes breek. Tijd heelt.

Een tijdje geleden ging mijn wasmachine stuk, nota bene vlak nadat ik het stukje over Candy, de wasmachine van mijn moeder, had geschreven. Nog altijd heb ik die machine in reserve en gelukkig maar. Mijn AEG liet me in de steek en dat betekende wassen in de badkamer van mijn moeder.

Hoewel deze niet gebruikt wordt, maak ik hem toch zo af en toe een beetje schoon. Lap wat over de wc en de wastafel heen, zet de douche op zijn aller heetst en laat de kraan een stief halfuurtje lopen. Tegen de legionella.

De handdoeken heb ik al een paar keer meegewassen met de lichte was, doordat ze anders maar liggen te verstoffen en dat is zonde. Hoe het komt weet ik niet, maar ondanks mijn driftig gepoets hangt er op sommige dagen onmiskenbaar een geurtje van mijn moeder in de badkamer. Soms stap ik vrolijk over de drempel -want afstapje- en gebeurt er verder niks; andere keren herkent mijn geurzenuw het luchtje van mijn moeder ogenblikkelijk en seint direct herinneringen door, richting de kleurenprojector in mijn bovenkamer. Dan breek ik toch een beetje, hoewel niet meer in duizend stukjes.

Ik zie mijn moeder in de weer met de centrifuge, die voor haar geen geheimen had en die voor mij in raadselen draait. Wanneer ze ging douchen werd niet alleen mijn moeder gepoetst, de douche werd ook geschrobd. Inclusief het ingemetselde en betegelde zitje, tegen het vallen. Mijn moeder waande zich een koningin in haar badkamer, compleet met haar blauwe serie handdoeken, keurig opgerold.

Eerlijk gezegd is die badkamer ook wel een beetje koninklijk, met lichte kleuren en hoge ramen, die uitkijken over de tuin. In deze tijd is het een sprookje, met de vele tinten rood en goud, die door de late namiddagse decemberzon door de ramen glinsteren.

Eenmaal uit de badkamer is mijn moeders geur weer opgelost, samen met het moment van verdriet en gemis. Het is goed zo. Alles heeft een tijd en zijn plek. En ook dat is goed. Het is oké.

Advertenties

Draadjesvlees

Op houten klompen, ooit geel maar door het grind versleten tot een vaalgrijze kleur, ren ik door de tuin naar binnen. Het is november, herfstig en kil. Voordat ik de bijkeuken in kan klauteren moet ik eerst een grote opstap nemen. Eenmaal binnen schop ik mijn houten plaaggeesten uit. Dat gaat niet gemakkelijk met die geitenwollen sokken. Mijn kindervoeten zwellen erin op tot maat reus, zodat mijn klompen eigenlijk te klein zijn.

Heel voorzichtig stap ik verder de bijkeuken in. Naast de deur staat de gevreesde blauwe tank gevuld met water, waarin mijn kwelgeesten rondzwemmen, vaders palingen. De gladjakkers willen nog wel eens onaangekondigd uit die bak springen om griezelig over de vloer te glibberen. Vader vangt ze in zelfgemaakte fuiken en eens in de zoveel tijd eten we die kronkelige krengen. Gerookt smaken ze echter prima, nog warm, vanuit het olievat dat achter in de tuin verborgen staat.

De enige persoon in huis behalve mijn vader die onze huispalingen waardeert, is mijn grootmoeder. Ze is niet te beroerd om zo af en toe een verdwaalde glibberaar op te pakken. Dat gaat vooral op geleide van luid gegil van mij en van mijn moeder. Oma is ook de buurvrouw; gezamenlijk bewonen we een plakhuis, een twee-onder-een-kap. Via de bijkeuken kan ik via een sluiproute wegglippen van mijn ouders naar oma. Super wanneer mijn ouders spruitjes willen eten en ik niet. Gelukkig mag ik altijd een toetje doen bij oma.

In de bijkeuken hangt de geur van peut. Gelukkig, de oliekachel brandt. Daar zal ik zo meteen eerst mijn natte sokken boven hangen, dan zijn ze straks niet alleen droog maar ook lekker warm. Ik ruik trouwens meer, dan alleen petroleum. Wanneer ik door het raampje naar binnen kijk in oma’s keuken, maakt mijn hart een sprongetje. Het petroleumstelletje brandt zachtjes. Er bovenop staat de God van alle pannen: oma’s juspan. Ik weet niet wat mijn moeder heeft gekookt vanavond maar ik eet draadjesvlees.

Ik open de deur van oma’s keuken en tegelijkertijd passeer ik een tijdzone. Oma’s keukenkasten hebben houten handvatten waaraan een klos is bevestigd. Wanneer je daar aan draait, gaat het deurtje open of juist dicht. Soms knerpt en piept het een beetje. Bij de deur naar de trap hangt een zwart schijfje. Wanneer je eraan draait hoor je “knip” of “knap” en gaat het licht aan, of uit. Ik ruik vers gesneden snijbonen. Oma heeft een apparaatje voor die groene stelten. Zo’n molentje, waar je met een slingertje aan kunt draaien. Handig hoor want aan de onderkant van het molentje vallen die snijbonen er dan in keurige reepjes uit.

Zachtjes klop ik op de kamerdeur en na wat gemorrel met de deurklink stap ik binnen. Oma zit in de voorkamer, in een groen fluwelen kuipstoeltje, bij het raam. Ze heeft haar jasschort nog aan. Met de bloemetjes, die ik zo mooi vind. Binnen geeft de haard zachte vlammetjes. Naast oma staat de theepot, die al van de muts is ontdaan. Voorzichtig stap ik over de rails van de glas-in-lood deuren, die de achterkamer van de voorkamer scheiden. Oma schenkt een kopje thee voor me in, met suiker en natuurlijk een wolkje melk. Thuis vind ik dat niet lekker. Ik zink weg in de oorfeautuil waarin ik in mijn eentje nog verstoppertje kan spelen. “Daar ben je dan, Detteke”, zegt oma. “Jij had het vast al geroken?”

Ergens vanuit het huis klinkt een zoemend geluid. Het zwelt aan tot een luidruchtig digitaal gepiep. Half wakker schiet ik overeind uit mijn oude Leidse en veeg geschrokken wat water uit mijn mondhoeken. Ik loop naar de keuken, tegenwoordig een lange wandeling over het beton. De kookwekker zet ik uit. Nieuwsgierig inspecteer ik de vlam van mijn petroleumstelletje.
Zachtjes rammelt de deksel van mijn juspan haar eigen deuntje.