Kringloop

Terwijl ik mijn hoofd schuin houd en mijn ogen over de rijen boeken glijden, voel ik plots een arm op mijn schouder. “Jij ook hier?” klinkt het olijk. Ik knik. Ik vind het heerlijk hier. De eigenaar van de arm ook. Hij is de zoon van een oude vriend van mijn vader. Eigenlijk meer een buurman. Van over de sloot want zo noemde je dat vroeger.

Meteen begint hij over mijn vader. Enerzijds vind ik dat leuk maar anderzijds maakt me ook altijd wat ongemakkelijk want in veel gevallen kan ik niks beamen of terugzeggen. Ik weet weinig van het vroeger van mijn vader; hij had al een lang, vrijgezellig leven achter zich toen ik geboren werd. Bovendien is hij gestorven toen ik jong was en eerlijk gezegd was hij toen ook nog best jong.

Meestal knik ik dus maar een beetje, tot het kwartje valt en mijn gesprekspartner doorkrijgt dat er voor mij geen herinneringen aan de anekdote zijn verbonden. Zestien jaar zijn en je vader verliezen is ronduit kut. Ik kan er geen andere term voor bedenken. Op die leeftijd beschouw je in de meeste gevallen de wereld als gek en je ouders helemaal want die komen immers van een andere planeet. Dat maakt het lastig om gesprekken die over mijn vader gaan, aan te vullen.

“Als ik jou zie, denk ik altijd met veel plezier terug aan je vader,” begint mijn gesprekspartner. “Ik kon zo fijn met hem praten. Hij schoffelde altijd tussen de perken, bij de sloot, en als jonge jongen kreeg ik aandacht van hem die ik van andere volwassen niet kreeg. Hij vond me slim, zag mij. Dat vond ik geweldig.”

Terwijl ik netjes blijf knikken vliegen mijn gedachten een andere kant op want ik herken het niet. Ik snap het wel, want ik hoor het vaker. Mijn vader schijnt vaak over heggen te hebben gehangen om te kletsen. Met zijn eeuwige schoffel en hark. Maar ik herken de scenes niet, die men beschrijft. Niet dat mijn vader onaardig was of nooit tegen me sprak maar ik herken de gespreksvormen gewoon niet. Ik was te jong.
De hark en de schoffel herken ik zeker, meestal gingen ze vergezeld van de vouwfiets en een veldje vol groenten.

“Mijn vader was zo trots, dat de jouwe bij hem in het ziekenhuis geweest was,” begint mijn gesprekspartner. En dat gegeven weet ik nou juist weer wel. Het was de winter van 1986, waarin zijn moeder, mijn oma, in het ziekenhuis lag opgenomen. In het VU, notabene. Nooit was mijn oma ziek geweest en ineens lag de ijzeren dame met twee ingepakte diabetesvoeten in het ziekenhuis. Zonder tenen, die er inmiddels waren afgehaald, zwartgeblakerd van de suiker en de cruris.

En daar lag dus ook de vader van mijn gesprekspartner.
Mijn vader was er vol van. Want Willem, de buurman, lag in het VU met kanker. Met hoofdletter want dat schreef je toen nog zo. Het werd ook altijd wat zachtjes uitgesproken want hardop was je bang dat het zelf ook kreeg want in die tijd ging iedereen nog dood, aan kanker.
“Een paar dagen later hoorden we dat je vader was overleden,” begint mijn gesprekspartner.

“Vertel mij wat,” denk ik. Ik heb het die winter voorspeld, alleen wilde niemand me geloven.

“Het was leuk om je even te spreken,” zegt mijn gesprekspartner en heft zijn hand ten groet. Ik dwaal verder tussen de rijen boeken, ergens in een ijzig koude fabriekshal, waar pas geleden een nieuwe kringloop is geopend.
Ik word altijd heel gelukkig van ronddwalen in een kringloopwinkel.

Het doet me denken aan ons oude huis, van heel vroeger. Waar de meubels van oma stonden, met een speciale geur die we misschien nu juist wel muffig noemen, maar die me –waar ik het ook ruik- ogenblikkelijk terug brengt naar toen.
In de kringloopwinkel kan ik tijdreizen. Daar maakt me gelukkig.

Tegelijkertijd ben ik ook weer heel blij als ik de winkel uitstap. Meestal vergezeld van een of ander tijdloos kleinood.

Advertenties

In sense

Regelmatig kom ik herinneringen tegen op Facebook van vier jaar geleden, toen een hersenvliesontsteking mijn moeders laatste herfst inluidde. Tegenwoordig kan ik dat hardop teruglezen zonder dat ik in duizend stukjes breek. Tijd heelt.

Een tijdje geleden ging mijn wasmachine stuk, nota bene vlak nadat ik het stukje over Candy, de wasmachine van mijn moeder, had geschreven. Nog altijd heb ik die machine in reserve en gelukkig maar. Mijn AEG liet me in de steek en dat betekende wassen in de badkamer van mijn moeder.

Hoewel deze niet gebruikt wordt, maak ik hem toch zo af en toe een beetje schoon. Lap wat over de wc en de wastafel heen, zet de douche op zijn aller heetst en laat de kraan een stief halfuurtje lopen. Tegen de legionella.

De handdoeken heb ik al een paar keer meegewassen met de lichte was, doordat ze anders maar liggen te verstoffen en dat is zonde. Hoe het komt weet ik niet, maar ondanks mijn driftig gepoets hangt er op sommige dagen onmiskenbaar een geurtje van mijn moeder in de badkamer. Soms stap ik vrolijk over de drempel -want afstapje- en gebeurt er verder niks; andere keren herkent mijn geurzenuw het luchtje van mijn moeder ogenblikkelijk en seint direct herinneringen door, richting de kleurenprojector in mijn bovenkamer. Dan breek ik toch een beetje, hoewel niet meer in duizend stukjes.

Ik zie mijn moeder in de weer met de centrifuge, die voor haar geen geheimen had en die voor mij in raadselen draait. Wanneer ze ging douchen werd niet alleen mijn moeder gepoetst, de douche werd ook geschrobd. Inclusief het ingemetselde en betegelde zitje, tegen het vallen. Mijn moeder waande zich een koningin in haar badkamer, compleet met haar blauwe serie handdoeken, keurig opgerold.

Eerlijk gezegd is die badkamer ook wel een beetje koninklijk, met lichte kleuren en hoge ramen, die uitkijken over de tuin. In deze tijd is het een sprookje, met de vele tinten rood en goud, die door de late namiddagse decemberzon door de ramen glinsteren.

Eenmaal uit de badkamer is mijn moeders geur weer opgelost, samen met het moment van verdriet en gemis. Het is goed zo. Alles heeft een tijd en zijn plek. En ook dat is goed. Het is oké.