Archief van
Tag: geschiedenis

Rekwisiet

Rekwisiet

Met mijn hand strijk ik langs de fotohouder, waarin verschillende foto’s zijn gestoken.

Een van de afbeeldingen toont een net iets te grote bodywarmer, geparkeerd op een spijkerbroek waaruit twee rode laarsjes steken die met reuzenstappen de helling naar beneden struikelen, richting zee. Uit de bodywarmer steekt een mini-armpje, waaraan een geel emmertje met een rood schepje en een groene hark bungelt. Een foto later staat het emmertje als stille getuige tussen de handgestorte torens van een Castricums zandkasteel. Naast het emmertje liggen twee rode laarsjes geparkeerd. Bijna kan ik mijn jas nog horen rinkelen van de vele opgeraapte schatten.

Rechtsboven op de houder zit een foto, waarop twee mannen rondrijden op een driewielfiets. Ach ja, de gerepareerde lekke band van opoe, mijn moeder. Nooit had ze leren fietsen en bij het bereiken van de gepensioneerde leeftijd besloot ze dat het tijd werd om zich per fiets te verplaatsen. Het werd een driewieler zonder elektromotor want dat was net een brug te ver. Achterop de bagagedrager zit haar kleinzoon met spierwit gebleekte haartjes en een brede grijns op zijn bruinverbrande gezicht. Zijn linkerarm blijft als halve zwaai in de zomerse lucht hangen. De voeten van de miniman bengelen boven de grond, gestoken in rode rubberlaarsjes waarvan de bovenkant is afgeknipt. Veel makkelijker aantrekken en nog veel beter: ze zijn zo uit.

Later, dezelfde zomer, een afbeelding van twee schommelende meneren in de wind, de haren wapperend. Bij de ene meneer wat meer dan de ander. De grijze man schommelt op het zitje, de jongeman zit er nog in. Het leeftijdverschil van tweeënzeventig jaar is niet in beeld te vangen. Het plezier daarentegen is vastgelegd in een brede grijns op de hoekige wangen van de oudere man, zijn ogen zijn tot glinsterende spleetjes geknepen. Het blonde miniventje van net drie turven hoog lacht zijn kleine tandjes bloot, de blote voeten schoppen zich een weg naar boven, tegenwinds.
Een nieuw paar rode laarsjes ligt werkloos te zijn, verderop in het gras.

Met mijn moeders gieter loop ik naar de vensterbank om het water van de plantjes en van de babyroosjes bij te vullen. Ze zijn gestoken in aardewerk vaasjes, die wonderwel precies passen in maat 21 van de rode Scapino laarsjes uit de collectie van 2002. Een bijzondere verrassing om zowel de laarzen als de vaasjes uit de doos met verzamelde kleinkindwerken van mijn moeder uit te pakken, nadat ze was overleden.

Grootmoeders bewaren de geschiedenis. Zij kennen de waarde van rekwisieten als geen ander en weten dat de tijd waarin je moedert, als zand door je vingers glijdt.
image

Napoleon

Napoleon

Over mijn verjaardagscadeau dit jaar kon ik kort zijn. Een museumkaart. Ik wilde, dat hij geldig werd vanaf mijn echte verjaardag en hij moest van een bijzondere plek afkomstig zijn. Dus op 11 maart, een prachtige voorjaarsdag, fietste ik in vijftig tinten goud, over de grachten van mijn Amsterdam, op weg naar de Hermitage.
Vroeger heette het de Amstelhof en diende het als thuis voor ouderen die de weg een beetje kwijt waren en die niet veel geld te besteden hadden om elders te gaan wonen. Tenminste, zo zei mijn moeder dat. Een oude vriend van haar woonde er ook, dement geworden van de suikerziekte die hij al zijn hele leven behandelde met een combinatie van insuline en alcohol. Op weg naar buiten werden mams en ik achterna gezeten door een groep bejaarden die er ook wel heel graag uit wilden. Godzijdank zat er een codeslot op de deur: vier keer nul. Nadien ben ik nooit meer met mijn moeder meegegaan.
Op 11 maart deed alleen de kerkgang aan de voorzijde van de Hermitage nog wat denken aan het voormalig ouderenhuis. Het zonlicht speelde met de ramen en met mij. Eventjes liep ik er opnieuw met mijn moeder. De museumkaart werd daarmee een uitje voor twee.
Afgelopen week ging bezocht ik de Hermitage opnieuw in verband met de expositie van Alexander, Napoleon en Joséphine. De geschiedenis van de kleine keizer en zijn Josephine is mij bekend, ze is vrij tragisch. Aangezien mijn moeder een hartstochtelijke liefde voor geschiedenis had en daarbij die van Napoleon in het bijzonder, fungeerde mams vroeger als mijn privé geschiedenisdocent. We hebben Napoleon nog uitgebreid geëvalueerd op mijn moeder sterfbed. Napoleon, de grote kleine keizer van een meter vijfenveertig, hoorde in mijn moeders galerij der groten, tussen Henry de achtste, Mozart en Bill Clinton.
Aan de garderobedame vroeg ik of ik mocht fotograferen, anders zou ik mijn telefoon in mijn tas achterlaten. “U mag fotograferen maar uitsluitend zonder flits,” zei het meisje. Met telefoon liep ik richting tentoonstelling om even later weer terug te keren bij het garderobemeisje want kaartje met barcode in mijn tas laten zitten.
Een van de eerste stukken betrof een schilderij van Napoleon, die ten strijde trekt. Met wapperende haren. Nu ken ik vele beeltenissen van Napoleon, waaronder die met Romeins/Griekse krullen, schilderijen met een lauwerkrans op zijn hoofd en natuurlijk verschillende afbeeldingen met de eeuwige dwarse steek van de keizer op zijn hoofd. Maar niet eerder zag ik Napoleon met wapperende manen. Ik besloot het schilderij te fotograferen.
Tweemaal drukte ik op het knopje. Nerveus bekeek ik mijn telefoon want net nieuw en dus was ik niet zeker van mijn handelingen. Had hij nou geflitst of niet? Verder was er niemand in de ruimte te ontdekken met een telefoon in de hand. Op zich vreemd want tegenwoordig kun je geen muziekvoorstelling of iets ander cultureels bezoeken of er staan minstens een voorraad toeristen met een telefoon plus selfiestick voor je neus.
Even later wist ik waarom. “U mag hier niet fotograferen,” hoorde ik, gevolgd door een hand op mijn schouder. Ik bevroor maar antwoordde dapper, dat ik mijn geplande handeling tevoren aan de garderobejuf had gevraagd en dat zij had gezegd dat het mocht, mits geen flits.
“Dat gaan we na,” zei de beveiligingsman. “Uiteraard,” zei ik. “Het kan ook de kassajuffrouw zijn geweest. Ik weet het niet meer zeker.”
“U heeft gelijk mevrouw,” zei de bewaker toen hij terugliep, “verkeerde informatie, wij bieden u onze verontschuldigingen aan.”
“Geeft niks hoor,” zei ik, terwijl ik het zweet van mijn voorhoofd voelde lopen. “Ik berg mijn telefoon op, nee, ik zet hem uit want stel je voor dat ik ineens gebeld wordt, dan sta ik toch weer met die telefoon in mijn hand en ik wil niet worden weggestuurd.”
De meneer lachte vriendelijk. “Kijkt u rustig verder, ik zie aan u dat u geschrokken bent en dat was nou ook weer niet de bedoeling. We moeten alleen streng zijn, want je weet maar nooit.”
Diep onder de indruk liep ik verder. Of ik alles in me heb opgenomen van de tentoonstelling? Geen idee. Een ding weet ik wel: mijn Napoleon met de wapperende manen neemt niemand me meer af.
napoleon