37. Over de vloer: Verffestival

Een beetje onwennig parkeer ik mezelf achter de laptop op een verfvrije middag. Licht verward tik ik mijn wachtwoord in. Gelukkig, mijn brein werkt nog. Dat weet je na vier werken verven namelijk nooit helemaal zeker. Het is me een verffestival zeg. Ik ben de hoofdact en dus mag ik twee podia vullen met steigers, blikken verf, kwasten, schuurpapier en schuurmachientjes. En het is veel, wat er allemaal geschuurd, gegrond en geverfd moet.

Acht kozijnen, dus ook acht ramen, twee trappen, twaalf balken van zeven meter lang en dertig cm breed, twee superbalken van vijf meter lang en vijftig cm breed en vijftig cm hoog, dan nog honderdvijfentachtig vierkante meter sauswerk en zestien deklatjes.

Het verven zelf in kleur is het werk niet. Het is dat vóórwerk. Je moet gronden, schuren en nogmaals gronden. Daarna volgt de echte verf. Al met al krijgt ieder houten onderdeel een driedubbele verflaag. Het is bijna als een driedelig maatpak. En dat aanmeten gaat met bloed, zweet en bovenal veel tranen. Het kost moed en geduld en dat laatste heb ik niet.

Het witwerk, het sausen is klaar, nadat ik bijna een week met mezelf heb gekampeerd op een kleine kamersteiger. Het was net een echt festival, alleen de band en het tentje ontbraken. Zelfs eten en drinken werd op de steigerloopplank geserveerd, opdat de latex niet voortijdig op zou drogen. Ernaast, óók op de steiger, stond mijn emmertje water, om de balken schoon te poetsen na wat slordig morswerk van mijn kant. Natuurlijk ging de emmer om, op de vloer. Heel irritant want er ligt melkpakkenkarton op de vloer ter bescherming van het beton en dat wordt glad, wanneer je daar water op laat vallen.

Mijn rug heeft het die sausweek geweten en mijn geest ook. Wat heb ik tegen mezelf gekletst, op mijn kamersteiger, balancerend op eenzame hoogte. Dat de muren oren hebben, weet ik inmiddels zeker. Toen alle vierkante meters gesausd waren, inclusief twee plafonnetjes, heerste er lichte geestelijke euforie doch lichamelijke chaos. Na het sausfestival kon ik bijna niet meer lopen. Mijn ruggenwervels hadden -met succes- een collectieve staking belegd.

Na een paar dagen met een ontstekingsremmer én goede moed, ben ik opnieuw de steiger opgeklommen om de balken van de laklaag te voorzien. Heel eerlijk gezegd ben ik er weg van. Het is gewoon adembenemend geworden. Ook de trap is gemetamorfoseerd. Na enkele grondlagen was zij aan de beurt voor haar maatkostuum in de kleur Zonwit. Van een olijfkleurige trap is zij omgetoverd tot een witte bruid.

Soms wordt het me teveel. Want er moet ook nog veel in de kleur gezet. Bijvoorbeeld nog een serie plafondbalken en een superbalk. En onze kozijnen moeten ook nog een keer in de deklaag. En het halletje, laten we die niet vergeten. Die moet ook nog in de deklaag.

Een ding weet ik zeker. Het wordt schitterend. Wit ook, vooral. Dat is opmerkelijk, omdat in het “oude” huis nagenoeg alles gekleurd was. Wit geeft rust en vooral ook ruimte.

Vanmiddag, toen de zon een laatste straaltje goud van vandaag naar binnen wierp, was ik eventjes
oprecht gelukkig. Zulk licht had ik niet eerder door de ramen zien schijnen. En dat alleen al is motivatie om m’n schouders er weer onder te zetten en dóór te verven. Nog eventjes maar. Het einde is in zicht.

Advertenties

35. Over de vloer: Petit-Peut

Zondagmorgen, tien uur. Voor me liggen zestien hardhouten latjes geduldig te wachten. Het zijn deklatten voor op de schuiframen. Ze zijn van hardhout en nogal ruw en splinterig. Normaal normaal gesproken ligt de schragentafel vol met versgezaagde planken. Vandaag niet. Lief heeft een vrije dag en is vanmorgen al heel vroeg met Anders vertrokken. Naar de Volvobeurs. De schragentafel is van mij.

Het versjouwen van de latjes is geen simpel karweitje. Een latje is per definitie niet zwaar, maar wel wanneer je ze alle zestien tegelijk wilt verplaatsen. Zuchtend pak ik de latjes in setjes van acht en leg ze netjes naast elkaar, op de schragentafel. Op die manier hoef ik niet te bukken en met schilderen straks kan ik er aan alle kanten bij. Ik pak een stuk schuurpapier, trek mijn handschoenen aan tegen het splinterwerk en begin aan de titanenklus.

Eerst moeten de latjes geschuurd worden. Daarbij moet ik opletten, dat ik de zaagsplinters netjes en voorzichtig verwijder en de randjes op de latjes mooi rond schuur. Ze worden per slot van rekening binnenkort op een zichtbare plek in huis geschroefd, op de ramen, dus het moet een beetje netjes.

Het valt niet mee. Al na negen latjes afschuren zijn zowel de zin als mijn humeur ver te zoeken. Mijn pols is pijnlijk, evenals mijn nek. Om over mijn onderrug nog maar te zwijgen. Toch moet ik door, vandaag wil ik de geur van verf in mijn neus hebben om nog enigszins het gevoel te hebben dat we ergens komen met dat huis. Ruim vijf maanden zijn we onderweg.

Ik had zo gehoopt volgende week een cranberryschotel in mijn nieuwe oven te kunnen schuiven in de herfstvakantie. Die droom ligt aan duigen, het gaat niet lukken. Het viel tegen, daar werd ik verdrietig van. Ik heb er om gerouwd en nu moet ik verder. De deadline is dapper verzet, naar de Kerst. Dus heb ik mijn zinnen gezet op een grote kalkoenschotel in die enorme oven, rond 25 december. Niet dat ik kalkoen lekker vind maar het staat zo Kersterig en dus wil ik het.

Zonder latjes kan ik de kozijnen niet schilderen. Wanneer er niet geschilderd kan, kom ik niet verder en heb ik geen uitzicht op die Kerstkalkoen. Zuchtend pak ik mijn schuurpapiertje weer op. Na anderhalf uur, zestien latjes en twee sigaretten tussendoor als pauzemoment breekt het glorieuze ogenblik aan, waarop ik het blik grondverf mag opentrekken.

Met een houten spatel roer ik de verf goed door, zodat het spul zo meteen goed over het hout verdeeld wordt. Met een rolletje van wollig rolletje verf ik eerst de onderkant van de laatjes, daarna besmeer ik de zijkanten en tot slot pak ik de bovenkanten met het gefreesde randje.

Enkele uren later, wanneer ik de deksel op de verfpot terug plak en de kwasten in een pot terpentine zet, glimmen de latjes me tegemoet. Mijn handen, vol druppels en vegen grondverf, maak ik schoon met een oude poetslap, waarop ik wat terpentine heb gesprenkeld. Wanneer ik met mijn handen langs mijn neus veeg ruik ik het.

De geur van nieuw en vers. De geur van mijn aanstaande huis in wording.