Archief van
Tag: begin

Fin de saison

Fin de saison

Al vroeg in het seizoen domineert het goud in de boomtoppen. Door een koperen gloed omgeven, zachtjes ruisend op het ritme van een tropische rest van een overzeese orkaan.
Groepjes wilde ganzen vliegen kakelend over mijn hoofd, op zoek naar de juiste aanvliegroute. De kastanje van de buurvrouw buigt haar zware kruin, gedrapeerd met roodbruine kroonjuwelen.
Na het diner is de zon plots uit mijn gezichtsveld verdwenen. Zomaar. Een kopergouden melancholie overvalt me. In de herfst zit mijn kracht niet verborgen. Wanneer de blaadjes vallen, dwarrel ik dapper mee, de put in. Het najaar staat model voor het einde. Afscheid. Laten we zeggen dat ik daar niet zo goed in ben, al zal ik in april volgend jaar weer euforisch roeptoeteren over de meer dan tachtig tinten groen in de natuur.
Wanneer ik het nieuws aanzet, overvalt me een blijmoedig humeur, wanneer het grijnzende postzegeltje van weerman Piet P. uit Friesland zijn intrede doet. Werkelijk, die man lacht altijd. Deze keer lach ik mee want het komt allemaal goed, met dat weer. Een restje tropische storm uit weet-ik-veel-waar doet ergens deze week haar intrede. Een goed stormpje dit keer, want deze neemt de nazomer met zich mee. Waarin vijfentwintig graden. Of meer.
Mijn barbecue-attributen juichen en mijn bikini worstelt zich uit de lade. Ik hoor nog iets rammelen in de kast. Mijn slippers. Ze dansen de bijkeuken uit, op weg naar de tuin. Mijn humeur danst er zonnig achteraan. Richting nazomer. Nog even uitstel. Heel eventjes.
Later deze maand zal het gerust losbarsten. Het herfstfeest. Met regen. Maar ook met honderdtachtig tinten goud. Koper. Groen. En bruin. Mijn fornuis zal uit haar dak springen van de stoofschotels. En dito peertjes. Ja helaas, de natuur sterft een beetje af. Om te slapen en vervolgens te rijpen. Zodat ze volgend voorjaar nog mooier weer opnieuw ontwaakt.
Het enige sprookje dat écht bestaat.

Anima sinistra

Anima sinistra

Er bestaan zes woorden, waarmee ik mijn ziel in een klap zou kunnen verlichten, mezelf vrij zou kunnen maken. Slechts zes woordjes, zeven lettergrepen.
En ik krijg het simpelweg mijn strot niet uit.

Soms denk ik aan mijzelf te kunnen ontsnappen. Dan zwemt mijn geest weg, in een zelfgekweekte poel van blauwgroene gedachten, zwevend op een wolkje grijs. Op andere dagen overheerst mijn onderbelichte ziel. Mijn anima sinistra, zwart gesluierd. Monotoon in zichzelf gekeerd, fluwelen zwarte woorden fluisterend. Op die dagen is de wereld enorm, lijk ik er niet in te passen. Een springvloed van grijsgrauwe gedachten spoelt het zand onder mijn voeten vandaan.
In zulk getijde hunker ik naar zonlicht. Een straaltje is voldoende om de zwarte zijde te verdrijven. Een klein bundeltje maar die mijn ziel verwarmt en verlicht. Die me laat weten, dat het goed komt. Dat niet alles aan mij ligt, maar dat ik op sommige onderdelen in het leven helaas ben blijven steken en dat zulks logisch is, gegeven de omstandigheden. Dat ik om verklaarbare redenen niet in staat ben, om de wereld met een open blik en vertrouwen tegemoet te zien maar dat er een plek in mijn ziel bestaat, geplaveid met tegels waaraan scherpe randen van argwaan en wantrouwen.
Zo zwerf ik rond, als levend dwaallicht. Gevangen in een grauwe mist, beklemmend. Soms benauwend, vaak verblindend. Zelfverkozen want ik zou het allemaal zó los kunnen laten en me onderdompelen in het warme licht van de zon. Ik zou slechts de talloze ragfijne draadjes, die mij verbinden met een niet bestaande werkelijkheid, hoeven door te knippen. Daarnaast zou ik slechts zes woordjes hoeven uit te spreken, waarmee ik los zou kunnen raken van mijn zelfgehaakte zwarte kleedje. De wachtwoorden, een unieke code om opnieuw te beginnen. Correctie: om verder te gaan waar ik was gebleven. Op het punt waarop alles nog normaal was. Voor de aardverschuiving begon.
Zes woorden, zeven lettergrepen. Ik zou slechts zachtjes hoeven fluisteren.
En opnieuw lukt het me niet.