Altijd in ontwikkeling

Altijd in ontwikkeling

Momenteel lees ik “De kunst van het falen,” door Arjan van Dam. Noodzakelijk leesvoer want diep van binnen huist in mij namelijk een flinke faalhaas die bibbert en stuitert wanneer er een examen, toets, of ander iets met onbekende afloop moet worden afgelegd. Met of zonder diploma.

Een certificaat doet me stotteren en accreditaties zijn de bom.
Onzin. Met hoofdletter. Ik weet het ook wel. Maar gevoel zegt iets anders dus dondert en bliksemt het alweer een tijdje in mijn bovenkamer. Toch gebeurt er iets geks want vanaf het eerste hoofdstuk van het boek word ik meegezogen in een werkelijkheid die ik begrijp. Sterker nog: ik snap het niet alleen, ik voel het ook.

De moed lijkt zó vanuit mijn schoenen mijn lijf in te schieten, tintelt rond mijn kruin en maakt mijn hoofd wakker. Helder zelfs. Leren schijn je –volgens het boek- vanuit twee visies te kunnen doen. Namelijk vanuit de prestatiegerichte visie, dat wil zeggen gericht op succes, liefst op de korte termijn en met liefst minimale inspanning. Daarbij ga je uit van de entiteit, dat wil zeggen van aangeboren intelligentie die niet meer vergroot kan worden.

Een andere visie op leren heet het ontwikkelingsgerichte leren, dat meer is gericht op continu groei, verandering, verbetering en ontwikkeling. De uitgang is dat intelligentie niet is aangeboren maar – mits de hersenen in beweging worden gehouden – een leven lang kunnen leren. Bij ontwikkelingsgericht leren is falen, dat wil zeggen het maken van fouten, niet alleen toegestaan, meer nog: het is hard nodig. Zonder fouten is er geen verbetering en dus is er geen leerproces.

Mijn interne faalhaas juicht. Eindelijk mag ze er zijn, met alle kennis en wijsheid die ze in zich heeft. Ik lees en leer me suf en tot mijn verbazing interesseert het me eigenlijk geen mallemeter of ik aan dit boek een diploma of certificaat kan vasthaken. Ik begrijp, slurp op en bruis. Mijn ogen glimmen wanneer ze over de bladzijden vliegen. Dit is mijn thuisplaat. Homerun, niks drie uit.

Peinzerin

Peinzerin

Op de kop af tweeëndertig jaar geleden viel je weg. Zomaar, van het een op het andere moment ging je dood. Onverteerbaar vind ik het. Nog steeds.

Wanneer je in je tienertijd zit, denk je aan het woord “later” als iets vaags, een tijd die nog ver van je bed ligt. Iets wat mogelijk ooit langskomt maar misschien ook niet. Omdat je nog geen idee hebt over tijd en ruimte behalve dan, dat je van de ene proefwerkweek naar het volgende feestje holt. Tijd staat stil en je merkt het niet.

Dat verandert op een gegeven ogenblik. Ik heb gemerkt dat hoe langer het overlijden van mijn vader geleden is, des te meer het dichterbij komt. Omdat ik nu meer dan ooit besef dat wat niet meer is ook nooit meer zal worden.

Zelf inmiddels volwassen, vind ik mezelf peinzend aan het einde van mijn veertigtal. Volgend jaar word ik vijftig en mijn vader is daar niet bij. Alweer niet. Mijn moeder is er ook niet maar dat is toch een ander verhaal.

Mams werd niet uit het leven weggerukt. Ze had – gelukkig – een keuze, hield regie. Alles was gezegd en gedaan. Het was oké. Mijn vader sliep in met het idee dat hij de volgende dag de nieuwe aardappels zou poten alleen werd hij niet meer wakker en mislukte de aardappeloogst.

Zijn lapje tuin aan de overkant van de straat was al gauw vergeven. Aan een hervormde dominee. Iets met brood en dood.

Ik realiseer me terdege dat mijn gepeins in de tegenwoordige tijd niets oplevert. En toch overdenk ik de zaken graag een beetje. Iets wat niet meer is zal ook niet meer zijn en toch komt peinzen er een klein beetje bij in de buurt.

Vooral in de Amsterdamse papegaai, een schuilkerk in de Kalverstraat, kwamen beide ouders best dichtbij vanmorgen, toen ik na betaling van een twee-euro munt een gedenkkaars opstak bij de heilige Antonius en stilletjes plaatsnam achter in de kerk. Alleen, even geen toerist te bekennen.

En hoewel mijn vader hoegenaamd niets met de heilige Antonius van doen had, voelde het eventjes toch heel knus, met z’n drietjes.