Hardloper

Hardloper

De theorie:
Mijn korte haar wappert in de wind, ik vlieg over de atletiekbaan. Mijn neus herkent de geur van aarde en reeds gevallen bladeren. Verse zuurstofrijke lucht stroomt richting mijn longen, de bronchioli en de alveoli werken dolgelukkig en in euforie tezamen, zodat ik om de zoveel passen een flinke teug zuurstof tot me kan nemen. Langzaam zakt de zon; tijdens het begin van de training piept ze nog over de populierenkruinen, na acht uur ’s avonds zie ik een kleine oranje bol zachtjes door het gebladerte schijnen. Ik weet dat ze er nog is, vergezeld van een klein stukje maan die voorzichtig haar halve hoofdje laat zien. Ik geniet; tijd en afstand zijn onbelangrijk, het gevoel dat ik leef, dat ik iets kan, dat mijn benen zich als vanzelf over de baan bewegen is veel beter. Het idee dat ik nog kan versnellen na ruim zeven kilometer in mijn benen is onbeschrijflijk. In januari, toen ik mezelf 5 kilometer cadeau deed voor mijn verjaardag in maart, had ik niet kunnen bedenken dat ik nog veel verder zou kunnen komen. Genietend werk ik mijn training af. Fijn dat ik zover ben dat ik een hele training voluit kan meedoen zonder uit te vallen. Binnenkort loop ik tien kilometer. Ik voel me onoverwinnelijk en glorieus.

De praktijk:
Mijn haar piekt aan alle kanten. Ik moet morgen hoognodig weer eens naar de kapper, voor mijn kruinen en onvrijwillige antennes weer alle kanten op staan die ik niet wil. Hoezo herfstgeuren? Mijn neus zit dicht, ik ruik niks en ademen is een kwelling. Ik hijg maar wat om me heen, godsamme, na negen maanden hardlopen had ik toch wel iets meer conditie mogen hebben. Als ik dit had geweten was ik er niet eens aan begonnen. Het restje zon wat nog over is schijnt hinderlijk precies in mijn oogbol; ik ben vermoeid en ik struikel, ik kan nog net voorkomen dat ik languit ga, hier op de baan. Het is nog steeds bloedheet ook. Wanneer houdt die zomer eens op? De belofte van verse zuurstof in de lucht is weer eens ver te zoeken. Zuchtend en zwaar ademend draaf ik door; het zweet loopt over mijn rug tot in de bilnaad. Bah. Ik vind het zo vies. In mijn hoofd spelen zich verschillende scenario’s af, die verschillen van het netjes completeren van deze training, waarvan ik nu al weet dat ik hem niet ga voltooien, omdat mijn lijf protesteert en mijn geest nog harder. Ook problemen van de volgende werkdag verschijnen nu al op mijn netvlies. Hoezo hoofd leegmaken? Mijn brein draait overuren, niet te stoppen. Vanuit een ooghoek zie ik dat enkele van mijn teamgenoten zijn gestopt. Ze lijken wat met elkaar te praten. Dat is mooi, dan schei ik er ook mee uit. Opgelucht draai ik een laatste rondje en haak af.

Volgende week gaat het vast beter; binnenkort loop ik de tien kilometer. Denk ik.

Contact

Contact

“Het was maar een lekke band. Maar mijn reserve was niet goed opgepompt dus die ging ook lek. Tjongejonge wat was het een gedoe en een gemekker. Ja, ik kan het natuurlijk niet zelf oplossen. Ik rijd en dat is voldoende, tenminste, dat dacht ik altijd.” Zijn stem klinkt blikkerig vervormd door de radio. Hij heeft verbinding met thuis gelegd, voor overleg met de oudste. Hij zal vast weten hoe het verder moet, nu het vertrouwen is gedaald.

De oudste klinkt bedachtzaam. “Daar zit precies het pijnpunt”, vertelt hij. “Toen ik in 2011 in huis kwam, moest ik een donkerblauwe 940 vervangen, die behalve een haperende deurvergrendeling altijd veilig en betrouwbaar was geweest. Deze Lars had nooit kuren gekend. Jouw mensengezin wilden een klassieke auto die motorisch betrouwbaar moest zijn en die her en der een deukje mocht hebben. Ze kochten mij; het toeval wilde dat hun wens bij mij net andersom zat. Ik had meer deuken onder de motorkap dan erboven; het heeft ze heel veel reparatie- en denkwerk gekost om mij aan de praat te kunnen houden. Van de zeven jaar die ik nu in Amsterdam woon, heb ik welgeteld drie jaar gereden. De rest van de tijd is besteed aan mijn koetswerk en aan reparatie- en revisieklussen. Mechanisch gezien ben ik inmiddels als nieuw. Toch stond ik een jaar in de Betuwe, voor de verkoop, want ze waren na al het geklus en mijn storingen desondanks een beetje klaar met mij.”

Er gaat een lichtje branden in de behuizing van het groene monster. “Vandaar dat die vrouw altijd eerst even met haar vingers aan mijn motorkap zit. Ze noemt dat aaien, maar hier in het Franse wrijft ze alleen de stof nog maar meer mijn neus in. Ook loopt ze eeuwig een rondje om me heen voor inspectie en volgens mij maakt ze zich bezorgd om mijn veren. Ze wroet regelmatig met haar pols aan beide kanten in de behuizing van mijn achterbanden om de hoogte ten opzichte van de spatborden te meten. Ik vind haar raar.”

“Wees blij dat zij niet de bestuurder was toen je lek ging,” zegt de oude goedig. “Ze kan vloeken, joh.”

“Wat heb jij uiteindelijk gedaan om te kunnen blijven?” vraagt het groene monster. “Nou gewoon,” zegt de oudste. “Gewoon lekker blijven rijden, dat werkt. Want alleen dan mag je blijven. Wanneer je hapert, stottert, je lichtjes in de storing zet is er slechts één alternatief en dat is dat je snufferd ofwel op Marktplaats wordt gezet of dat je voor een enkele reis naar de Betuwe wordt gebracht, waar je te koop wordt gezet als semi-klassieker.”

Rillend van onbehagen wil het groene monster zijn radiogesprekje afsluiten, tot hij de stem van zijn oudere broer blikkerig hoort. “Doe rustig aan jongen. Laat die nieuwe schoen lekker linksvoor aanmeten, rijd woensdag gewoon in je eigen stijl met ons mensengezin naar huis want daar ben je op gebouwd. Dat kun jij.”

Het groene monster luistert verder naar de stem van zijn mentor. “Bovendien heeft met name de mevrouw je uitgezocht omdat zij diep van binnen weet dat je het kunt. Maar omdat ík haar vertrouwen in auto’s grenzeloos heb verpest, betaal jij daar helaas een prijs voor en dus moet je harder werken om haar vertrouwen te winnen, maar dat kun je,” zegt de oudste met respectvolle stem. “Je hebt haar toch door Parijs geloodst?”

“Ja, dat klopt,” antwoordt het groene monster. “Ik had ook wel de indruk dat dat goed ging.”

“Heb vertrouwen,” zegt de oudste kalm. “Want als jij vertrouwen hebt en kalm en beheerst over de snelweg roetsjt, heeft zij het ook.” Het groene monster slikt iets weg. “Goede reis mien jong,” zegt de oudste. “Tot gauw en pas op kleine steentjes,” voegt hij eraan toe.

In de radiostilte die volgt sluit het groene monster een stil verbond met zichzelf. Verhuizen is geen optie met alle reisplannen die hij nog heeft. Hij is met zijn bijna drie ton op de teller pas net begonnen. Warmgelopen.