27. Over de vloer: laat mij maar schuiven

Tot 1992 heeft ons huis verschillende ramen en kozijnen gehad. Aan de ene kant bevond zich tot die tijd een etalageruit want tot 1965 hebben mijn grootouders een bloemenwinkel aan huis bestierd. Daarna heeft de winkeltijden van het huis een tijdje leeggestaan, totdat mijn vader, die tot dan toe vrijgezel was geweest, in 1969 verkering kreeg met mijn moeder. Vanwege dit heuglijke feit werd de voormalige winkel verbouwd tot woonruimte en ontstond er een twee-onder-een-kap.

Het etalageraam van de voormalige winkel bleef bestaan. In verband met de inkijk van de straatzijde werden er lange witte vitrages voor de ramen gehangen die eeuwig door mijn moeder werden gewassen in verband met de gele waas van nicotine. Overigens kon je niks met dat etalageraam; het kon niet open. ’s winters vróór je dood en ’s zomers stierf je nog een keer, van de hitte.

Aan de andere kant van het huis woonde mijn oma, de moeder van mijn vader. Haar kant van het huis had nog de ouderwetse kozijnen met schuiframen, inclusief professioneel vastgeroeste handgreepjes. Op zomerse dagen konden bij oma de ramen een stukje open, met uitzondering van het smalle vensterraampje in de hoek van de voorkamer. Daar had opa namelijk ooit -op zijn manier- een ventilator ingebouwd. Dat apparaat sputterde vaak en was onbetrouwbaar, vooral wanneer het onweerde. Het elektrisch systeem in het huis was niet berekend op onverwachte stroomverschillen in de atmosfeer.

Boven, in de slaapkamers, die van oude deuren en hardboardbeschotten in elkaar waren geflanst, bestonden ook schuiframen. Het was niet makkelijk om die dingen te openen. Wanneer ik eindelijk na veel gepriegel het raam omhoog had geschoven, dan moest ik vervolgens een klosje tussen het raam zetten, zodat de boel niet terug naar beneden kon ploffen. Meestal viel het klosje uit mijn handen, zó de steeg in.

Tijdens de grote verbouwing in 1992 besloten we rigoreus alle ramen en kozijnen te vervangen. Het werden allemaal vurenhouten kozijnen, met vast benedenraam en een klein bovenlichtje. Dan kon er in elk geval altijd ergens een stukje raam open. Lief en ik waren we trots op het zelfgemaakte kozijnwerk. Toch was het niet praktisch; het glas zat diep verstopt achter het hout. Probeer dat van buiten maar eens te lappen met een lange stok. Je maait altijd mis, nèt achter het randje. Ook vonden we na een tijdje, dat het kozijnmodel niet echt bij het huis paste. Tot slot gingen de kozijnen niet lang mee. Vurenhout is namelijk niet bestand tegen de combinatie van oostenwind met regen- en hagelbuien.

Nu in 2011, tijdens de huidige betonrenovatie, vonden we dat we net zo goed de kozijnen ook konden vervangen. Over een nieuw raamontwerp waren we het verrassend snel eens. Ouderwetse Amsterdamse schuiframen. Met een knipoog naar toen en met als verschil dat ze in een nieuw jasje zijn gegoten. Ouderwets design gecombineerd met nieuwerwetse fratsen. Geen gepriegel met touwtjes, contragewichtjes, blokjes of schuifjes. Dankzij een gelikt veersysteem schuif ik het raam met twee vingers omhoog of naar beneden.

Noem het psychisch maar sinds die ramen geplaatst zijn, kijk ik met zoveel meer plezier en energie naar buiten. Het is alsof het licht anders naar binnen valt, door zo’n middenspijltje. Het gras lijkt groener, de lucht is blauwer geworden en zelfs de zon vind ik mooier naar binnen schijnen. Nu het wat droger is geworden buiten, zetten we elke dag de ramen open. De vieze betonlucht, die tijdens het leggen van de dekvloer is bijven hangen, is verdwenen.

Het huis is fris en oogt als nieuw, terwijl er nog van alles moet gebeuren, willen we er met goed fatsoen weer kunnen wonen. Het is heerlijk om te voelen, dat er een frisse wind door het huis waait. Het werd tijd.

Uit: over de vloer, een verbouwingssprookje, 2011

Advertenties

26. Over de vloer: Anders

Binnenkort wordt alles Anders. Hij is nieuw en toch wordt hij veertig,in 2012. Anders heeft al een leven achter de rug dus het zal wel even wennen worden.

Onze eerste kennismaking verliep vlotjes. In verband met de komst van Anders zal Lars, onze 940, ons gaan verlaten. Lars kregen we zes jaar geleden, als puberjongen. Hij was snel en bovendien was hij cool in alle opzichten. Vooral tijdens warme vakanties want airco. Het was liefde op het eerste gezicht, in juli 2005. Bovendien kon hij de kar trekken, in ons geval onze caravan, genaamd Saar. Als Zweedse pooljongen met wat kilometers op de teller draai je daar je hand immers niet voor om. Onze Saar is verkocht, met oog op de verbouwingsbezuinigingen. Daarmee is Lars werkloos geworden en met zijn bijna ruim zestienhonderd kilogrammen schoon aan de haak is hij een bijvangst geworden voor de belastingdienst. Je zou Lars een Griekse nachtmerrie kunnen noemen.

Om de balans in de portemonnee te herstellen zijn we op pad gegaan voor een andere auto. Het werd Anders. Een blauwgroene klassieke Volvo 164 uit 1972 met honderdduizenden kilometers op zijn teller, frisse koplampen op zijn snoet en een prachtige puur mechanische inhoud onder zijn motorkap. Belangrijke details: ik pas erin, ik kan er in rijden en hij is betaalbaar. De wegenbelasting gaat op de schop en na de zomervakantie krijgt Anders een LPG-installatie in zijn buik om ook het tanken leuk te houden.

Net als bij Lars was de kennismaking met Anders liefde op het eerste gezicht. Zijn blauwgroene lijf glom buitengewoon bijzonder en toen we de motor startten, begonnen de harten van Lief en mij simultaan sneller te kloppen. Een nieuwe liefde was geboren. Zoon vond het in eerste instantie niets, maar na een proefrondje was ook hij overtuigd. “Gaaf geluidje mam, wanneer je gas geeft,” klonk het vanaf de gordelloze achterbank.

Terwijl de papieren getekend worden zie ik het gezicht van mijn kind plots betrekken. Van binnen weet ik waarom. Met Lars hebben we avonturen beleefd. In Nederland, maar ook daarbuiten. We hebben delen van Europa onveilig gemaakt. Mèt en zonder TomTom. Onze oude drie chihuahua’s zijn in 2006, 2007 en in 2008 door Lars naar de dierenarts gebracht en kregen in Lars ook weer hun laatste rit naar huis terug. Onze huidige hondjes, de majesteiten van Tuttenhove, zijn op zeer jonge leeftijd door Lars opgehaald en thuisgebracht.

Nu ik het gezicht van mijn zoon bekijk, zie ik mijn eigen gezicht van dertig jaar geleden. Mijn vader ging destijds onze kanariegele Volkswagen Passat inwisselen voor een nieuwer exemplaar, met deuren achterin. Het had een feest moeten zijn dat helaas werd verpest door een intens verdrietige huilbui van mijn kant ten kantore van de autohandelaar. Toen pas bleek namelijk, dat we de oude auto zouden achterlaten. “Het is maar een auto” zei mijn vader. Het beeld van de kanariegele Passat die eenzaam voor de deur van de dealer achterbleef, heeft erg lang op mijn netvlies gestaan.
Auto’s zijn nooit zo maar. Het zijn reisgenoten, kameraden.

De tranen prikken achter mijn ogen, ik voel het precies zo als mijn kind. Ik knijp in zijn hand terwijl ik zeg dat het goed is, dat hij zijn verdriet laat zien. Eenmaal thuis aangekomen ruimen we Lars samen leeg. Tot het weekend staat hij nog op het pad en krijgt hij af en toe een aai over zijn motorkap.
Geen haast. Soms is het beter om een tandje terug te schakelen.