Categorie archief: Odetjes

Kennis

“Ik ken dit systeem al hoor,” roept mijn woensdagmiddagleerling vrolijk. “Tot vorige week werkte ik nog met Ezis.”

Een beetje weemoedig kijk ik haar aan. Tot vorig jaar deden wij dat in ons Noordse ziekenhuis ook. Inmiddels heet het HiX en hebben we er tientallen schermpjes bijgekregen. Tegelijkertijd zijn alle symbooltjes die we vorig jaar zo vreemd vonden, toch een beetje vertrouwd geworden. We zijn geland en dat is maar goed ook want in november gaat de boel nog verder op zijn kop met het echte ee-pee-dee in dossiervorm. Per maand zijn er verschillende projectdagen en iedere week wordt er flink vergaderd. Op weg naar volledige digitalitijd, dat wil zeggen alle beschikbare informatie zichtbaar (en leesbaar!) dus… meer tijd voor de patiënt.

Stap voor stap neem ik de agenda-instructie met mijn leerling door. In eerste instantie giet ik het nog in de standaard vorm, totdat blijkt dat er inderdaad niet zo heel veel in het systeem is veranderd en ik als leerling-applicatiebeheerder op mijn beurt trucjes van mijn leerling kan opsteken.

Ze is enthousiast over het plansysteem dat voor haar nog verassingen blijkt te hebben en mijn instructiemiddag vliegt om. Een dag of wat later komt ze weer bij mij voor documentinstructie. Samen gaan we er weer voor zitten en blijken we elkaar opnieuw te kunnen verrassen met het toepassen van sneltoetscombinaties, autocorrectie, tekstblokken en favorieten. Deze ochtend vliegt ook om.

Leren is geen eenrichtingsverkeer. Leren is als een rotonde, met verschilllende (aanrijd)routes, waar iedereen zijn kennis meebrengt, deelt, en wanneer zijn of haar weg is afgelegd, weer afslaat.
Op weg naar nieuwe kennis.

Kaneau

Voorzichtig, iets té, stap ik in mijn kano, die me verwijtend ligt af te wachten. Nijdig ga ik zitten, stram en stijvig.

Verdikkeme, zo had ik het me niet voorgesteld maar eigen schuld, ik ben te lang weggebleven en daar betaal ik nu een prijs voor. Op naar de karpers, ik zet af, kukel bijna om en van schrik wiebel ik de rest van de sloot wankel heen en weer.

Verderop in de sloot razen twee motorbootjes om elkaar heen en de moed zakt me in de schoenen. Ik heb helemaal geen zin in wiebelig vaargedrag. En eigenlijk wil ik ook niet varen in mijn eigen boot maar ik wil een echte breinaald proberen. Lekker instabiel, zoals mijn humeur. Ik kan er geen genoeg van krijgen.

Terwijl ik terug peddel bekruipt me het gevoel van binnen dat dit het niet meer is, dat kanovaren. Wat ooit zo heerlijk voelde als met de punt door het water klieven tussen rondspringende karpers en meerkoetjes voelt nu als aanmodderen. Alleen mijn peddelslag voelt nog wat vertrouwd.

Tot mijn verbazing zie ik wapperende golfjes aan de zijkanten van mijn kano verschijnen die erop duiden, dat ik -geheel onverwacht- harder ga dan ooit. Blijkbaar hebben de maanden sportschool toch enig gewicht in de armspierschaal gelegd. Er verschijnt een voorzichtige grijns op mijn smoel. Kan mij het, niemand die me ziet.

Redelijk rustig vaar ik terug naar de club, leg mijn platte breinaald in het gras en pak dapper een ronde breinaald uit het clubkano assortiment. Het is nog lastiger instappen dan in mijn eigen bootje en wanneer ik eindelijk plaatsneem, zit mijn achterwerk stevig vastgebeiteld in het zitje.

Het voelt niet prettig, het voelt opgesloten. Wiebelend zit ik wat aan de kant (handjes aan de steiger) en stap onverrichterzake en ontmoedigd door mijn eigen gestuntel maar weer uit.

Volgende keer ga ik dobberen, neem ik me voor. Met zonder peddel. Voor deze keer is alleen even zitten genoeg; een mens moet per slot van rekening niet alles tegelijk willen kunnen.