Jubileum

“Smaakt het?”, vraag ik, terwijl de oude man aan tafel een hap neemt van mijn appeltaart. De room blijft een beetje plakken aan zijn rode wangen, die zijn bedekt met een laagje niet geschoren baard. Ik geniet van de intensiteit, waarmee de man zit te smikkelen in mijn nieuwe keuken.

“Hij is goed gelukt. Ondanks het feit dat de taart niet van eigen appelbodem is.” De man geeft me een knipoog. Het klopt, de appelboom is niet meer. Toevallig hadden moeder en ik het er van de week nog over.
“Mens hou op, schei uit, die taart is prima. Daar heb je mijn mening toch niet voor nodig?” vraagt de man verbaasd. “Kijk,  vroeger, in mijn tijd, lustte je nog niet zo van alles en soms vroeg ik me af hoe dat later verder moest. Maar het is helemaal goed gekomen.” Met een grote hap zie ik de taart verdwijnen in de mond van de man.

Enigzins chagrijnig knal ik de gesneden groenten in een pan. Hoezo niks lusten. Ga maar eens drie weken achter elkaar tuinbonen eten. Ingemaakt, gezouten en gebakken. Of snijbonen, driemaal per week. Even later giet ik de pan weer af; de groente rolt zó de ovenschaal in.

“Voorzichtig meid, zij kunnen er ook niets aan doen.”  Wat beschaamd stel ik de oven in, roer nog wat in het prutje en schuif de schaal voorzichtig de oven in. Daarna loop ik naar de bijkeuken en pak een flesje bier. Ik zet het voor de man op tafel, samen met een glaasje jonge jenever, dat ik gisteren nog op de valreep in huis heb gehaald.
“Je weet het nog,” zegt de man met een schittering in zijn ogen.

Zelf schenk ik een groot glas koele witte wijn in. “Hoe vind je het eigenlijk, in die wereld?” vraag ik aan de man, terwijl ik een klein slokje uit mijn glas neem. “Nou het gaat best,” antwoordt hij. “Elke dag een biertje en soms een kopstoot, wanneer er een jarige is. Elke dag biljarten, we mogen kaarten, we krijgen de krant op tijd en soms mogen we uit. Met de trein.” Met een lachend gezicht voegt de man eraan toe: “Aan die kant van de schijf rijdt ie overigens wel op tijd.”

“Kijk, zo kom je nog eens ergens,”  zeg ik grinnikend.

 Ik verbaas me over de gemeenschappelijkheden die ik aan tafel ontwaar. De  rode wangen, de puntneus. De ongemakkelijke stiltes die ontstaan, die we weglachen. Hij is kaler geworden, ik (gelukkig) niet. Mijn gezichtsvormen zijn onmiskenbaar de zijne geworden  op de leeftijd die hij had, toen mijn komst zich aankondigde.
Op zijn beurt zie ik dat de man mij goedkeurend bekijkt. “Je lijkt op mijn moeder, weet je dat?” zegt hij zachtjes. Dat weet ik, ik hoor het vaker van de mijne.
Plotseling staat de man op, loopt naar de ramen en wrijft zachtjes over het witte geschilderde hout. “Je hebt het gedaan. Schuiframen,” zegt hij bewonderend.  “Ik heb me zorgen gemaakt,” zeg ik. “Vorig jaar. Met die verbouwing. Telkens vroeg ik me af of ik het wel goed deed, met dat rothuis.”
Al jaren is het voor mij de vraag of ik het goed doe. Ik heb geen referentiekader, geen patroon en geen vraagbaak.  Ik moet het allemaal altijd maar bedenken.
“Meid, het ging en het gaat allemaal prima,” zegt de man. “Je doet het goed. Maar dat moet je niet van mij willen horen. Hou in vredesnaam eens op met dat  eeuwige gepieker. Je lijkt je moeder wel. Je zou de hele wereld aankunnen. Wanneer je er maar in zou geloven.” Hij loopt terug naar de tafel, ondertussen krijg ik een aai over mijn bol.
Lichtelijk verbaasd nip ik van mijn wijn. Oke. Die zit.
“Lieverd,” vervolgt de man, “vanaf het moment dat je geboren werd wist ik dat je alles zou kunnen. Maar ook, dat je streng zou zijn voor jezelf. Net als ik. Toen je verkering kreeg wist ik dat het goed zat. Hij was vrolijk. Ik kon veilig naar de andere kant overstappen, toen het mijn tijd werd. Ik had je geen betere man kunnen wensen. Een harde werker.  En zelf heb je ook verschrikkelijk je handen uit de mouwen gestoken. Eerlijk kind, daar heb ik versteld van gestaan.”  
Verbaasd rol ik bijna van mijn stoel. Een compliment. En wat voor een.  

“Je hebt me veel gegeven maar het mooiste wat ik van je heb gekregen,  is mijn kleinkind. Helaas kan ik hem niet vastpakken of een duw geven. Die knul van  twaalf, die  vernoemd is,  al weet  niemand dat. Behalve ik natuurlijk.”  

Bijna hoest ik een grote slok wijn uit over de tafel. Het klopt, niemand weet dat.  

De oven piept. Met rode wangen pak ik de ovenschotel beet, bang om mijn handen te verbranden danwel de schotel te laten vallen. Op een bedje van rundergehakt en tomatensaus, bedekt met een laagje geraspte kaas, liggen spruiten.  De oude man kijkt me vragend aan. Ik zeg niks.
Schaterend vallen we aan, het glas heffend. 

Smakelijk, pa!  En nee, niet op de volgende vijfentwintig jaar..

Een nacht in maart
Een nacht in maart (2)

Advertenties

7 thoughts on “Jubileum

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s