Moeders

Moeders

Wanneer ik aan het begrip moeder denk, denk ik altijd eerst aan mijn eigen moeder. Aan haar honderd verschillende glimlachen, haar melancholie, haar verbeeldingskracht. Haar wil om te ontwikkelen, te kunnen fietsen. Ook denk ik aan haar moeder, mijn oma.

Toevallig dacht ik vorige week nog aan oma, onderweg naar Wijchen met drie keer een trein overstap en met uiteraard de allermooiste verbinding die er is, jawel de Noord Zuidlijn. De enkele reis had bijna 4 uur geduurd en toch wilde ik erheen, met mijn hoofd vol snot en flinke keelpijn.

Onderweg in de trein had ik me enkele zaken gerealiseerd. Waarom had ik in vredesnaam een congres van 122 kilometer ver weg willen bezoeken over HSP? Omdat de nieuwsgierigheid het zou winnen van het snot en de paracetamol (dat laatste hoopte ik). Ten tweede wist ik dat ik veel nieuwe informatie mocht opnemen. Wetenschappelijke informatie en sinds mijn 45+ zit mijn brein verlegen om alle wetenschappelijke informatie omtrent HSP die ik maar kan vinden. Opdat ik snap, weet, begrijp en mijn eigen gebruiksaanwijzing kan schrijven.

Terwijl het spoor onder me weggleed, besefte ik me eveneens dat ik niet alleen op mijn moeder lijk – qua honger naar informatie. Ook lijk ik op mijn grootmoeder van moeders zijde. Zij had in de jaren ’70 al een seniorenkaart van de NS. Niet zo bijzonder want die kaart bestond toen al, maar mijn oma was al meer dan dertig jaar weduwe, altijd alleen gebleven en ging derhalve altijd alleen op stap. Vrolijk en wel, altijd op zoek naar avontuur. Anno 2019 is dat niet meer bijzonder, destijds was dat het wel.

Soms had ze besloten om koffie (of een borreltje) te gaan drinken in Maastricht, gewoon omdat het kon. Met misschien onderweg in Heerlen even uit te stappen voor museumbezoek. Soms kon ze halverwege rechtsomkeert maken en dan toch liever richting Groningen afreizen. Omdat het beter voelde. Ondanks de vele verliezen die mijn oma heeft geleden beschouwde zij het leven als één groot avontuur, een levende speeltuin.

Diep in mijn hart voel ik dat ook zo. Dus boek ik regelmatig een online NS kaart naar Groningen. Of naar Wijchen, voor een symposium. Of ik reis naar Leeuwarden, omdat er een tentoonstelling van Rembrandt en Saskia in het Fries Museum is. Ik vind het leuk om Nederland per trein uit te pluizen. Om vervolgens te ontdekken dat wanneer we de klaphekken van Friesland zijn gepasseerd, er een blij gevoel vanuit mijn borststreek opstijgt. Het gebeurt overigens ook wanneer ik de Afsluitdijk passeer op weg naar Franeker of Harlingen. Kom ik thuis? Het zou zomaar kunnen; overgrootmoeder van vaders zijde, de moeder van mijn oma, ook de buurvrouw, was van Friese afkomst.

In Wijchen aangekomen bedacht ik me in de trein, dat wanneer ik aan het begrip moeders denk, dat iedereen behalve ikzelf, in mijn hoofd opkomt. Dat is best een beetje gek, gegeven het feit dat ik bijna twintig jaar geleden het leven schonk aan een fantastisch kind. Die prachtzoon van wie ik elke dag leer, dat het leven een proeftuin is en dat je op elk onderdeel iets kunt leren. Dat je met sommige apparaten wat meer geduld moet hebben dan met andere. Maar dat elke les er eentje is en de moeite waard is. Mijn zoon, wars van status en macht, die een hekel had aan leren en desondanks ontwaakte op het ROC, voor mechatronica. Waarmee hij genoeg nieuwsgierigheid ontwikkelde om door te stromen naar het HBO.

Mijn kind. Mijn geweldige kind, hij maakte mij moeder. Hoe kon en hoe kan ik dat vergeten? Als reminder, aandenken van mijn bestaan, heb ik daarom vandaag een kleine herinnering aan mijn moederschap op mijn rechter onderarm laten zetten. Blijkbaar heb ik een continu herinnering nodig. Opdat ik niet vergeet.

Een echte traktatie (schrijfveer)

Een echte traktatie (schrijfveer)

Heel voorzichtig durfde ik nieuwe hardloopplannen op te stellen. Nadat ik mezelf in januari van dit jaar vreselijk verstapte, letterlijk en figuurlijk, brak er een periode aan waarin ik enkele weken niet mocht hardlopen. Natuurlijk bezocht ik een goede fysiotherapeut en voor de morele en lichamelijke ondersteuning eveneens een acupuncturist.

Niet dat die laatste iets met mijn blessure kon beginnen maar het feit dat zij eveneens fysiotherapeut is, maakte een hoop goed. In februari mocht ik voorzichtig een minutenwals gaan doen, dat wil zeggen opnieuw opbouwen met hardlopen, volgens een schema van een minuut hardlopen, afgewisseld door wandelen. En dat in setjes van drie keer, of vijf keer. Het ging moeizaam. Ik ben er niet voor geboren om dingen te doen die móeten en dan ook nog eens met afgemeten proporties of protocol, volgens een strikt schema.

Mentaal gesloopt en met enorme spierpijn – ondanks het schema vol voorzichtigheid – besloot ik het trainingslijstje overboord te gooien en op gevoel te gaan lopen. Tempo slak, want dat beestje staat natuurlijk niet voor niets fijntjes op mijn pols gegraveerd. Opdat wij niet vergeten.
Op slag ging het beter, ging de snelheid zelfs vooruit. In maart liep ik de Urban trail in mijn eigen Amsterdam-Noord. Ik had beloofd maximaal 5 kilometer te doen maar om dat al na anderhalve kilometer te moeten besluiten was wat voorbarig. Ik liep dus de lange route, op gevoel. Tien kilometer lang vierde ik een feestje, op langzaam tempo, door “mijn” Noord.

Met het feestje in mijn achterhoofd besloot ik me voor het volgende feestje op te geven. Omdat het kon, omdat ik het leuk vond en omdat ik het graag wilde. Het feestje lag nog ver vooruit in de planning, dus tijd genoeg. Een paar weken nadat ik op dat knopje drukte, stagneerde het loopproces opnieuw. Mijn benen protesteerden, schoten uit hun voegen. Mijn herwonnen snelheid raakte foetsie en mijn hartslag was niet omlaag te rámmen. Het ergste was nog, dat ik niet meer van het hardlopen genoot. Dat was een klap in mijn gezicht. Nu ik het opschrijf schiet het schaamrood me over de kaken. De straf van niet mogen lopen in mijn blessuretijd was ik blijkbaar even vergeten.

Tijdens een slapeloze nacht viel het kwartje. Mijn innerlijke antenne, mijn voelspriet, heeft de boodschap al eerder opgevangen maar was blijkbaar nog niet in staat om het in Jip en Janneke taal uit zenden richting mijn verstand. Ineens is me duidelijk waarom ik de afgelopen weken niet lekker loop, niet meer soepel kan bewegen en waarom ik niet meer van het hardlopen geniet. De boodschap komt glashelder binnen. Ik wil helemaal geen grote evenementen lopen; ik ben een hart-loper, geen hardloper. Punt.

Hoewel ik geniet van andermans (vrouws) evenementenfoto’s, krijg ik het Spaans benauwd wanneer ik alleen al aan mijn eigen evenement dénk. Terwijl de gedachte aan “annuleren” van het gebeuren ogenblikkelijk leidt tot luchtige en vrolijke gedachten in mijn bovenkamer. De boodschap tintelt door mijn lichaam en daarmee is voelen zoveel beter dan blijven hangen in gedachten aan wat ik zou moeten kunnen. Mijn hart opent zich á la minute en ik zie fijne hardlooproutes op mijn netvlies verschijnen, heerlijk door weiland en open veld, met koeien en schapen. De gedachten worden zachtjes begeleid door zicht op andere avonden waarin de punt van mijn kano weer eens door de Waterlandse slootjes klieft. Met kikkers, snoeken of zwanen.

Ik ga mijn evenement annuleren. Die rottige Dam tot Dam loop in september. Voor mij geen drukke hel van Amsterdam naar Zaandam. Sterker nog: in dat weekend ga ik gewoon lekker op vakantie. Ver weg van de massa, niet gehinderd door het eeuwige moeten. Sommige mensen zullen dit ongetwijfeld vertalen als opgeven. Gelukkig weet ik beter: ik doe gewoon alleen nog maar dingen die ik écht wil doen. En dát vind ik nou een echte traktatie. Pure luxe.