Klein wit

Witte sterren
dansen flonkerend
als
donzen deken
over me heen

Ondergedompeld
beweeg ik mij
behoedzaam
over pleintjes
langs vensters
verlicht en uitgestorven
straatjes, vol
ijzigheid

Zachtjes
echoot de stilte
haar
zachtheid
liefdevol
over me uit

Advertenties

Kringloop

Terwijl ik mijn hoofd schuin houd en mijn ogen over de rijen boeken glijden, voel ik plots een arm op mijn schouder. “Jij ook hier?” klinkt het olijk. Ik knik. Ik vind het heerlijk hier. De eigenaar van de arm ook. Hij is de zoon van een oude vriend van mijn vader. Eigenlijk meer een buurman. Van over de sloot want zo noemde je dat vroeger.

Meteen begint hij over mijn vader. Enerzijds vind ik dat leuk maar anderzijds maakt me ook altijd wat ongemakkelijk want in veel gevallen kan ik niks beamen of terugzeggen. Ik weet weinig van het vroeger van mijn vader; hij had al een lang, vrijgezellig leven achter zich toen ik geboren werd. Bovendien is hij gestorven toen ik jong was en eerlijk gezegd was hij toen ook nog best jong.

Meestal knik ik dus maar een beetje, tot het kwartje valt en mijn gesprekspartner doorkrijgt dat er voor mij geen herinneringen aan de anekdote zijn verbonden. Zestien jaar zijn en je vader verliezen is ronduit kut. Ik kan er geen andere term voor bedenken. Op die leeftijd beschouw je in de meeste gevallen de wereld als gek en je ouders helemaal want die komen immers van een andere planeet. Dat maakt het lastig om gesprekken die over mijn vader gaan, aan te vullen.

“Als ik jou zie, denk ik altijd met veel plezier terug aan je vader,” begint mijn gesprekspartner. “Ik kon zo fijn met hem praten. Hij schoffelde altijd tussen de perken, bij de sloot, en als jonge jongen kreeg ik aandacht van hem die ik van andere volwassen niet kreeg. Hij vond me slim, zag mij. Dat vond ik geweldig.”

Terwijl ik netjes blijf knikken vliegen mijn gedachten een andere kant op want ik herken het niet. Ik snap het wel, want ik hoor het vaker. Mijn vader schijnt vaak over heggen te hebben gehangen om te kletsen. Met zijn eeuwige schoffel en hark. Maar ik herken de scenes niet, die men beschrijft. Niet dat mijn vader onaardig was of nooit tegen me sprak maar ik herken de gespreksvormen gewoon niet. Ik was te jong.
De hark en de schoffel herken ik zeker, meestal gingen ze vergezeld van de vouwfiets en een veldje vol groenten.

“Mijn vader was zo trots, dat de jouwe bij hem in het ziekenhuis geweest was,” begint mijn gesprekspartner. En dat gegeven weet ik nou juist weer wel. Het was de winter van 1986, waarin zijn moeder, mijn oma, in het ziekenhuis lag opgenomen. In het VU, notabene. Nooit was mijn oma ziek geweest en ineens lag de ijzeren dame met twee ingepakte diabetesvoeten in het ziekenhuis. Zonder tenen, die er inmiddels waren afgehaald, zwartgeblakerd van de suiker en de cruris.

En daar lag dus ook de vader van mijn gesprekspartner.
Mijn vader was er vol van. Want Willem, de buurman, lag in het VU met kanker. Met hoofdletter want dat schreef je toen nog zo. Het werd ook altijd wat zachtjes uitgesproken want hardop was je bang dat het zelf ook kreeg want in die tijd ging iedereen nog dood, aan kanker.
“Een paar dagen later hoorden we dat je vader was overleden,” begint mijn gesprekspartner.

“Vertel mij wat,” denk ik. Ik heb het die winter voorspeld, alleen wilde niemand me geloven.

“Het was leuk om je even te spreken,” zegt mijn gesprekspartner en heft zijn hand ten groet. Ik dwaal verder tussen de rijen boeken, ergens in een ijzig koude fabriekshal, waar pas geleden een nieuwe kringloop is geopend.
Ik word altijd heel gelukkig van ronddwalen in een kringloopwinkel.

Het doet me denken aan ons oude huis, van heel vroeger. Waar de meubels van oma stonden, met een speciale geur die we misschien nu juist wel muffig noemen, maar die me –waar ik het ook ruik- ogenblikkelijk terug brengt naar toen.
In de kringloopwinkel kan ik tijdreizen. Daar maakt me gelukkig.

Tegelijkertijd ben ik ook weer heel blij als ik de winkel uitstap. Meestal vergezeld van een of ander tijdloos kleinood.